| Startpagina > Preken > | Contact |
Preek n.a.v. Lucas 12: 13 - 34
Gemeente van Jezus Christus,
Een etalage van een winkel in de Hoogstraat hangt er al vol mee: met kerstversiering. De sinterklaasartikelen verdwijnen daarentegen zo langzaamaan uit de schappen. We kunnen tegenwoordig beter eind augustus de chocoladeletters en speculaaspoppen in grote voorraden opslaan dan hoeven we er rond 5 december niet zo naar te zoeken en ons tevreden stellen met de restjes, met chocoladeletters bijvoorbeeld waar je naam niet mee begint.
Ik zal er verder niet op doorgaan, op mijn onbegrip van deze planning van marketing. Ik heb er als doodgewone consument ook gewoonweg geen verstand van en sla door te stellen dat ik het niet erg op prijs stel in hartje oktober al in de kerstsferen te belanden natuurlijk vanuit marketingtechnisch oogpunt helemaal de plank mis. De uitbundige kerstetalage, die overvolle schappen zijn er niet om de juiste sfeer in de juiste tijd te creëren maar om ons consumenten aan te sporen te kopen. Dat zal dan ook ongetwijfeld naar harte lust gebeuren.
En juist in deze maanden gaat het ook niet om het kopen op zich of dat we alleen maar kopen voor onszelf. Dat wat we kopen we als een soort Dagobert Duck in grote pakhuizen opslaan om er alleen maar zelf van genieten. We kopen juist in deze maanden voor een ander; cadeaus om een ander plezier mee te doen. En wanneer dat lukt, is het pas echt genieten geblazen.
De evangelielezing van vanochtend zet in, niet met de vraag naar de ander als het gaat om het geven van een geschenk, in dit geval een erfenis, maar met de vraag van de ander. De vraag van de ene broer die zijn andere broer de erfenis alleen ziet opstrijken. Hij spoort Jezus aan hier recht over te spreken. Het lijkt een redelijk verzoek; delen moet immers. Jezus’ antwoord lijkt in eerste instantie vreemd. Hij zegt: ‘Wie heeft mij tot rechter over jou aangesteld.’ Wil Jezus niet bemiddelen in een eerlijke zaak? Misschien wel, maar liever wil hij de mensen eerst wakker maken, zodat ze zélf eerst een oplossing zoeken. Hij lijkt op Salomo die een beroep deed op het gezonde verstand van de twee moeders die allebei dat ene kind opeisten. Jezus lijkt die wijze Salomo. Hij geeft al enig advies aan de broer: ‘Hoed je voor hebzucht, want ook als iemand overvloed heeft is er eigenlijk niets van hem. Alles is hem - zoals het leven zelf - gegeven!’
Daar kan de broer en de menigte rondom hem, daar kunnen wij gemeente het mee doen. Jezus zegt niet ‘jij hebt gelijk’ of ‘jij hebt gelijk’. Hij vertelt aan hen, aan mensen voor wie niets belangrijker lijkt dan hun bezit en vooral het bezit van het eigen gelijk! - de gelijkenis over een rijke man die volledig gefixeerd is door zijn groeiende bezit. Al zijn ziel en zaligheid legt hij erin. Hij lijdt aan hebzucht: het steeds meer willen hebben. Hij gaat opstapelen voor zichzelf. Ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik moest meteen denken aan de strip van de al eerder aangehaalde Dagobert Duck. Die stinkrijke eend die in voortdurende angst leeft zijn geld te verliezen en daarom zijn dagen slijt in zijn pakhuis al letterlijk zwemmend door zijn geld om het maar geen seconde uit het oog te verliezen.
Wat in de gelijkenis opvalt is hoe de man alleen bij zichzelf te rade kan gaan waar hij zijn groeiende bezit kan bergen. Hij heeft niet als die broer die bij Jezus komt een hele menigte om zich heen om mee te overleggen, om samen naar een oplossing te zoeken. Deze rijke man is niet alleen dwaas, zoals zijn mentaliteit wordt bestempeld, onverstandig, hij is ook en misschien wel vooral alleen. Er klinken harde, ontnuchterende woorden over en voor hem: ‘nog deze nacht moet je sterven en wat heb je dan aan al je rijkdom?’
Jezus roept tot de orde, brengt tot bezinning. Deze bezinning vervult een kernrol bij Lucas. De evangelist wordt niet moe te vertellen hoe gehechtheid aan wat men heeft, rijkdom het zicht beneemt op de ware waarden. Weten jullie wel wat echt belangrijk is en wat niet, waar zet je al je zinnen op, wat doe je met je leven? Bepaalde dingen komen nooit voor in de uitbundig versierde etalages en reclameblaadjes, in overvolle schappen: aandacht, gezondheid, rust, vertrouwen. De zaken, de waarden die mensen écht nodig hebben. De échte vragen hebben niet met ons banksaldo te maken. Een vermogen hebben is op zichzelf geen zonde, maar als je dat niet gebruikt om God er mee te dienen - en het dus durft te verliezen - wel. Bezit is niet erg, ervan bezeten zijn wel. Zoek eerst het koninkrijk en verwerf je geen schat in de hemel zijn geen woorden die een mens af willen houden van dit leven op aarde. Het gaat om leven op aarde waarbij je je ziel, je binnenkant niet vergeet. En het niet nalaat elkaar daar ook aan te herinneren, en nog meer elkaar daar bij te helpen. Zoals het volgende verhaal treffende illustreert.
In een dorpsstraat woonden twee joden tegenover elkaar. De ene was rijk, de ander arm. De laatste had ooit geld geleend bij de eerste, maar toen de dag van de aflossing naderde was hij ten einde raad. Hij zag geen enkele mogelijkheid nog aan de enorme som te komen. ‘Morgen zal je mij betalen’, had de rijke man hem gezegd. Maar hij had het geld niet. Terwijl hij zich in bed omdraaide van de ene op de andere zijde, steeds wanhopig zoekend naar een oplossing, kreeg hij plotseling een idee. Hij stond op, liep naar het raam aan de voorkant van zijn huis en schoof het open. Toen riep hij luid naar de overkant van de straat zodat de rijke overbuurman het wel goed moest horen: ‘Je zou morgen geld van mij krijgen, maar ik heb het niet!’ Ziezo, denkt hij, nou doet die rijke geen oog dicht. Het probleem van de armen mag terecht het probleem van de rijken worden.
Met de gelijkenis over de rijke man roept Jezus vragen op over de verhouding tussen arm en rijk, brengt hij tot bezinning. Maar hij doet meer. Hij proclameert de radicaliteit van het koninkrijk Gods en van de claim die de Tora op mensen legt. En het vervolg van de lezing uit Lucas gaat daar op door. Als een mens leeft onder de open hemel in gemeenschap met God zal zijn hart gericht zijn op deze schatten, afgezien van het feit of hij naar aardse maatstaven tot de armen of tot de rijken gerekend moet worden. De schatten van de hemel zijn er om je te herinneren aan je ziel, om ernaar te luisteren. Jezus spreekt in dit verband over Gods koninkrijk. En daarin gaat het niet om het hebben, maar om het er-zijn. Zoals jullie ouders van Jonathan die we straks gaan dopen ook intens ervaren dat het niet fijn is om Jonathan te hebben, maar het fijn is dat hij er is, zoals hij is. Zoals jullie verwoordden op zijn geboortekaartje: ‘ zo mooi, jij als jij, welkom erbij’. ‘Erbij’ want Jonathan heeft niet alleen jullie als ouders maar ook een broer: Casper. Voor hen twee speciaal, voor jullie als doopouders en natuurlijk voor ons allemaal tot slot nog een klein verhaal.
De ene broer had een groot gezin, veel kinderen en weinig geld. De ander had helemaal geen kinderen, maar wel veel geld. In de nacht denkt die broer: wat ben ik toch rijk en wat is het toch erg dat die arme broer van mij zo weinig geld heeft. Hij staat op, laadt een zak etenswaren op een kar en gaat naar zijn broer op weg. Diezelfde nacht ligt de arme broer in bed met zijn vrouw. Hij hoort zijn kinderen lachen in bed voor het slapen gaan en denkt: wat ben ik toch rijk en wat droevig dat mijn broer deze rijkdom moet missen. En ook hij staat op, laadt een kruiwagen vol met etenswaren en gaat op weg op broerlief te gaan troosten.
Hoe dit verhaal afloopt is niet bekend. Je zou je kunnen voorstellen dat de broers elkaar halverwege zijn tegengekomen en zich hebben verbaasd over hun beider goede gedachten. Zo kunnen arm en rijk elkaar tot zegen zijn. Moge het zo zijn: mensen die goede gedachten hebben over elkaar en elkaar tot zegen willen zijn. Het teken van het breken van het brood in onze gemeenschap herinnert ons aan die ene die zijn leven voor zijn mensen gaf, die brak en deelde, die accepteerde en vergaf en zo allen tot zegen werd. Die ene, Jezus Christus die met zijn boodschap onszelf tot boodschap werd. De boodschap die vertelt, die ons wordt doorverteld dat wij in ons leven ontdekken waar het op aankomt en doen wat er gedaan moet worden opdat wij elkaar tot zegen, tot geschenk en troost kunnen zijn zolang het maar kan.