De muren vallen om

Mozes en de Israëlieten hebben een hele tijd door de woestijn getrokken. Veertig lange jaren. Toen ze vlak bij de grens van het beloofde land aangekomen waren had Mozes gezegd: Ik ben erg oud geworden. Tot hier ben ik met jullie meegegaan; nu moet een ander mijn taak overnemen. Hij had Jozua tot nieuwe leider van de Israëlieten benoemd, en was zelf een hoge berg opgeklommen. Niemand had hem meer gezien. De Israëlieten misten hem erg. Dertig dagen lang rouwden ze om Mozes. Maar toen zei Jozua: Nu is het genoeg geweest. We kunnen niet blijven treuren, we hebben werk te doen. We moeten het beloofde land in bezit nemen. En Jozua stuurde twee spionnen naar de eerste stad die ze in het beloofde land zouden aandoen, Jericho. De spionnen kwamen na tien dagen terug, en ze vertelden dat Jericho een grote stad was met dikke muren.

We hebben door de hele stad heen gelopen, zei een van hen. Om te kijken of er ergens een zwakke plek in de muren was. Maar nee hoor, de muren zijn overal even sterk. En toen kreeg de politie van de burgemeester van Jericho ook nog door dat wij spionnen waren. We renden hard weg, en zij achter ons aan! Allemaal smalle straten door, en hoeken om, en zo. Je kent dat wel van James Bond. Gelukkig waren het heel dikke politieagenten, die niet hard konden lopen, dus ze haalden ons niet in. En toen ineens zagen we een vrouw in een huis, die zei: gauw, kom binnen. Dus wij naar binnen, en ze verstopte ons voor de politie. Rachab heette die vrouw. Ze woont in een huis dat in de stadsmuur gebouwd is.
Ze zei dat ze had gehoord dat de God van Israël ons volk uit Egypte heeft bevrijd, en ons door de woestijn heeft geleid, en dat Hij ons nu het beloofde land in handen zal geven. Ze wil niet tegen de wil van God ingaan. Daarom heeft ze ons geholpen. En toen het donker was geworden heeft ze ons aan een touw uit haar raam aan de buitenkant van de muur laten zakken. Een rood touw, was dat. En toen zijn we heel voorzichtig weer naar jullie teruggekomen. Het zal niet meevallen, Jozua, om die stad in te nemen. Echt hele dikke muren, en geen enkele zwakke plek.
Maak je niet ongerust, zegt Jozua. God zal ons wel helpen. Dat heeft hij tot nu toe steeds gedaan.

De volgende dag liep Jozua te ijsberen en na te denken over de beste manier om Jericho in te nemen, toen hij ineens een engel tegenover zich zag staan. De engel zei: Jozua, jullie moeten niet proberen de muren van Jericho te beklimmen of de poort kapot te rammen of zo. God zal het probleem voor jullie oplossen. Jullie moeten morgen met het hele volk een rondje om de stad lopen. Voorop de priesters met trompetten, en alle anderen er achteraan. En overmorgen weer, en de dag daarna weer, enzovoort. Zes dagen lang. Maar de zevende dag moeten jullie zeven keer om de stad heen lopen, en dan moeten de priesters op de trompetten blazen. En dan zal je eens zien wat er gebeurt als God je helpt.

De volgende dag staan de bewoners van Jericho op de muur te kijken naar die gekke Israëlieten. Ze hadden gehoord dat Israël een gevaarlijk volk was, met een sterke God die hen hielp. Maar daar leek het niet erg op. De bewoners van Jericho waren niet onder de indruk.
Moet je zien, roept de burgemeester van Jericho tegen zijn wethouders. Wat een zootje ongeregeld! En wat doen ze nu helemaal? Het lijkt wel of ze alleen maar een rondje om de stad heen lopen. Nou, wij houden mooi de poort dicht. Ze komen er niet in.
En zo gaat het zes dagen achter elkaar. De bewoners van Jericho staan op de muur grappen te maken, en de Israëlieten uit te lachen die denken dat hun God machtiger is dan de goden van Jericho. Maar de Israëlieten zeggen niets. Ze lopen alleen maar om de stad heen, elke dag een keer.
Op de zevende dag is het nieuwe er goed af. Er staan nog maar heel weinig bewoners van Jericho op de muur; maar nu houden de Israëlieten niet op na één rondje. Ze lopen er nog een, en nog een. De wethouder van defensie waarschuwt de burgemeester van Jericho dat hij naar de muur moet komen. Er is iets aan de hand. De Israëlieten lopen maar door, vier keer om de stad heen, vijf keer, zes keer … Alle inwoners van Jericho staan nu weer op de muur te kijken. Als de Israëlieten bijna het zevende rondje hebben gelopen beginnen de priesters die voorop lopen op hun trompetten te blazen. En niet zo'n klein beetje, nee echt oerend hard. Zo hard dat de muren van de stad beginnen te trillen. Er komen scheurtjes in, en dan grote scheuren, en stukken muur beginnen in te storten, en dan volgende stukken, en weer volgende, en de hele muur zakt in elkaar. Alle mensen die erop stonden en grappen hadden gemaakt over de God van Israël zijn hartstikke dood. Er staat nog maar een heel klein stukje muur overeind. Een muur met een raam erin. En uit dat raam hangt een rood touw. Dat stuk muur was het huis van Rachab. God heeft haar en haar gezin gespaard, omdat zij geloofde dat de God van Israël machtiger was dan alle goden van Jericho bij elkaar.

Suggestie voor verwerking:
Zeven maal en de muren vielen om (uit het boek van Willemien Wikkers).

Jan Blom
Wageningen, 13 april 2003