| Startpagina > | Laatst gewijzigd: woensdag 4 juli 2007 |
Hij blijft wel lang weg hè, zegt Amenhotep.
Ja, zegt Osiris, we wachten nu al twee dagen.
Ze hebben het over Mozes. Mozes is twee dagen geleden de berg Sinaï opgeklommen, en de Israëlieten wachten aan de voet van de berg tot hij terug komt.
Ik verveel me, zegt Amenhotep. Zo schieten we toch niet op. Wat is Mozes eigenlijk aan het doen daarboven?
Geen idee, zegt Osiris. Weet jij het, Simeon?
Simeon komt juist langsgelopen. Hij kijkt chagrijnig, zoals altijd.
Ja, zegt hij. Mozes heeft ons natuurlijk in de steek gelaten. Mooi is dat. Midden in de woestijn. En wat moeten we nu?
Ik geloof nooit dat Mozes ons in de steek zal laten, zegt Osiris. En wat we nu moeten doen? Op God vertrouwen natuurlijk. Die heeft ons al zo vaak geholpen. Weet je nog, van de tocht door de zee? En van het bittere water dat zoet werd? En van het manna en de vogels? Man, je eet er nog elke dag van.
Ja, zegt Simeon, dat is wel waar. Ik wil best op God vertrouwen. Maar ik zie hem niet.
Boven op de berg begint het te bliksemen en te donderen. Er komt rook uit de top van de berg. De kinderen schrikken, net als Simeon en de andere Israëlieten. Wat zou er aan de hand zijn? En hoe zou het met Mozes gaan, daar boven op de berg in dat noodweer?
Daar heb je het al, zegt Simeon. Ik word er bang van. Misschien is God wel boos op ons. En Mozes is er niet om met hem te spreken.
Hij rent naar Aäron, en roept: Je moet iets doen! Mozes is er niet. Jij moet met God praten, en vragen of hij ons wil helpen.
De andere mensen knikken, en beginnen ook tegen Aäron te roepen dat hij met God moet praten.
Maar dat kan ik helemaal niet, zegt Aäron. Ik ben Mozes niet.
Je moet, roepen de mensen.
Ik wil niet, zegt Aäron.
Wij willen dat je het doet, roepen de mensen. Anders zullen we je wel eens even een kopje kleiner maken.
Aäron is ten einde raad. Hoe moet hij nu met God praten? Maar dan bedenkt hij een list.
Hij zegt tegen de mensen: Breng al jullie gouden sieraden hier.
Al spoedig ligt er een hele berg gouden ringen en armbanden en kettingen voor hem op de grond. Aäron maakt een groot vuur, en begint het goud te smelten, en dan maakt hij een groot gouden kalf. Kijk, zegt hij tegen de mensen. Nu doen we net of dit kalf onze god is. Dat is het natuurlijk niet echt, maar we doen alsof. En als we nu tegen dit kalf praten, dan hoort God ons natuurlijk.
Goed plan, roept Simeon. Aan jou hebben we iets. Veel beter dan je broer. Nu hebben we tenminste een god die we kunnen zien. Net als vroeger in Egypte.
Maar Simeon, in Egypte was je een slaaf, zegt Amenhotep.
Ja, zegt Simeon. Ik was een slaaf, maar ik had wel vastigheid. En nu heb ik weer een god die ik kan zien en aanraken. Dat bevalt mij eigenlijk veel beter dan die onzichtbare God van Mozes.
En hij begint om het gouden kalf te dansen, en er voor te buigen. De andere mensen doen hem na, en ze bidden zelfs tot het kalf. Ze vragen of het kalf hen uit de woestijn naar het beloofde land wil brengen. Steeds meer mensen dansen om het kalf heen, en Aäron staat een beetje beteuterd toe te kijken. Doe niet zo gek, mensen, roept hij. Het is maar een beeldje. Het is niet echt onze God. Het geeft niet eens antwoord, dat horen jullie toch zeker wel.
Maar de mensen willen niet luisteren. Ze zingen en dansen en schreeuwen en bidden tot het kalf. Het lawaai is tot ver in de omgeving te horen. Amenhotep en Osiris kijken elkaar eens aan, en lopen weg, de berg op. Hier willen ze niets mee te maken hebben. Namaakgoden hebben ze in Egypte al vaak genoeg gezien.
Boven op de berg is Mozes neergeknield. Hij bidt, en vraagt God of hij het volk uit de woestijn naar het beloofde land wil brengen. En hij hoort God antwoorden.
God zegt: Ik wil een verbond met jullie sluiten. Niet alleen voor de tocht door de woestijn, maar voor altijd. Jullie zullen mijn speciale volk zijn. En jullie mogen het verhaal van jullie bevrijdende God over de hele wereld vertellen. En omdat ik jullie heb uitgekozen, heb ik voor jullie tien leefregels. Als je je daaraan houdt, dan kan je volop van je vrijheid genieten. Dan komen de mensen tot hun recht.
Regel 1: Ik ben jullie God, die jullie heeft bevrijd. Blijf bij Mij.
Regel 2: Je moet niet denken dat je precies weet hoe God is, en dat je weet wat hij wil.
Regel 3: Probeer niet Mijn naam te gebruiken om je eigen ideeën door te drukken
Regel 4: Elke week heeft één dag die van Mij is. Op die dag hoef je niet te werken. Dan ben je vrij.
Regel 5: Laat je vader en je moeder niet in de steek. Zij zorgen voor jou als je jong bent. Jij zorgt voor hen als ze oud zijn.
Regel 6: Maak het voor elkaar mogelijk om goed te leven.
Regel 7: Blijf trouw aan elkaar. God houdt van mensen; jullie moeten ook van elkaar houden.
Regel 8: Steel niet, geen grote dingen en ook geen kleine dingen.
Regel 9: Praat alleen over anderen op een manier waarop je wilt dat ze ook over jou praten.
Regel 10: Laat je niet gek maken van jaloezie om wat een ander heeft of kan. Ontdek het mooie in wat je zelf hebt of kunt.
Dan zwijgt God. En Mozes ziet twee stenen platen, waarop de tien regels geschreven zijn. Hij neemt de platen mee, en begint de berg af te dalen.
Mozes is bijna beneden. Hij ziet in de verte het kamp al liggen. Hij hoort geschreeuw en gezang. Wat zou er aan de hand zijn, denkt hij.
Daar komen Amenhotep en Osiris aan. Ze vertellen Mozes wat er is gebeurd, en Mozes schrikt zich een ongeluk. Hij valt op zijn knieën neer, en hij begint te bidden of God het volk wil vergeven.
En God zegt tegen Mozes: Dat volk van jou, dat is mij niet waard. Je bent maar een paar dagen bij ze weg geweest, en nu hebben ze al een namaakgod gemaakt. Een gouden kalf dat ze aanbidden, en waarvoor ze buigen. Ik zal ze uitroeien. Tot de laatste man en vrouw gaan ze er aan. En mijn uitgekozen volk, dat maak ik wel uit jouw kinderen en hun nakomelingen.
Mozes zegt tegen God: Doet U dat alstublieft niet. U hebt ze toch zelf uitgekozen? Hebt U alstublieft nog een keer geduld met uw volk. De Egyptenaren zouden zich een bult lachen als ze horen dat uw volk omgekomen is in de woestijn.
En God luistert naar Mozes, en hij spaart de Israëlieten.
Woedend rent Mozes het kamp binnen. Hij slaat met de twee stenen platen het kalf kapot. De platen breken ook, in duizenden stukken. Zijn jullie nu helemaal gek, roept Mozes. Een namaakgod maken, en die aanbidden? Hebben jullie soms een gaatje in je hoofd? Ben je nu al vergeten wat onze God voor ons heeft gedaan?
Nou, zegt Aäron, wind je niet zo op, Mozes. Maak je niet dik, dun is de mode. We geloofden natuurlijk niet echt dat dat kalf onze god was. We wilden alleen graag zien tegen wie we bidden, weet je wel.
Jullie zijn niet goed wijs, zegt Mozes. Wees maar blij dat God genadig is, en jullie alweer wil vergeven. God is veel te goed voor jullie.
De mensen kijken op hun neus. We bedoelden het toch zeker niet zo kwaad, zegt Simeon.
Wel waar, zegt Mozes. Jullie bedoelden het wel kwaad. Jullie waren niet tevreden met onze God, en toen hebben jullie er eentje bijgemaakt. Maar God heeft jullie uitgekozen als zijn speciale volk, en hij heeft tien regels voor jullie opgeschreven op twee stenen platen. Daar moeten we ons voortaan aan houden.
Nou, laat ze maar eens zien, zegt Simeon.
Eh, ja, waar heb ik ze nu gelaten, zegt Mozes. Hij kijkt rond.
Waren dat misschien die twee stenen platen waarmee U de berg afkwam, meneer Mozes, vraagt Osiris.
Ja, zegt Mozes. Maar ik zie ze nergens meer.
Die hebt U kapot geslagen op het gouden kalf, zegt Osiris.
Mozes schrikt zich een bult. Ik ben veel te driftig, denkt hij. Hoe moet dat nu?
Maar de volgende dag hakt Mozes uit de wand van de berg twee nieuwe stenen platen. Daarmee klimt hij de berg weer op. En hoe het gebeurd is weet niemand, maar als Mozes weer beneden komt heeft God op de nieuwe platen weer dezelfde tien regels geschreven. Mozes leest ze voor aan het volk, en alle mensen willen zich eraan houden. Zo sluit God in de woestijn het verbond met zijn volk. En met Amenhotep en Osiris. En met alle mensen die zich aan zijn tien regels willen houden.
Suggestie voor verwerking:
'De tien geboden' uit het boek van Willemien Wikkers.
Jan Blom
Wageningen, 6 april 2003