Water en brood

Die kan nog heel best zingen. Voor zo' n oud mens heeft ze nog best een goeie stem, zegt Amenhotep tegen Osiris. Hij heeft het over Mirjam, de zuster van Mozes. Nadat de Israëlieten veilig door de zee waren getrokken en het leger van de Farao verdronken was, bouwden ze een groot feest. Ze dansen en zingen er op los. Vooral Mirjam zingt veel en hard: Zingt de Here, want hij is hoog verheven, het paard en zijn ruiter stortte hij in zee. Ja, zegt Osiris, ze zingt best mooi, maar die tekst ken ik nu wel. Zou ze niet wat anders kunnen zingen?

Simeon, die naast ze zit, zegt: Ja, bijvoorbeeld van De meeste dromen zijn bedrog. Dat lijkt mij een heel goed lied in onze situatie. We zijn nu wel door de zee heen getrokken en gered van de Farao, maar voorlopig zitten we hier alleen nog maar aan het strand, en we moeten nog een heel eind door de woestijn. En dacht je dat Mozes voor eten en drinken heeft gezorgd? Geloof dat maar niet. Ach Simeon, zeur toch niet zo, zegt Osiris. Jij hebt ook altijd wat te klagen, zwartkijker. God zal ons helpen. Het zal mij benieuwen, zegt Simeon.

*** Drie dagen later staat Simeon hard te schreeuwen tegen Mozes: Onbenul, heb je nu je zin? Daar staan we nu, midden in de woestijn, en geen druppel te drinken! Al onze flessen zijn leeg. Waren we nog maar in Egypte. Daar moesten we hard werken als slaven, maar we gingen tenminste niet dood van de dorst. Houd toch je mond, zegt Mozes. God zal voor water zorgen. O ja, hoe dan? vraagt Simeon. Dat weet ik niet, zegt Mozes, maar wacht maar af. Je kunt op God vertrouwen. Kom op, doorlopen!

Simeon trekt een koppig gezicht, maar de rest van het volk loopt door, dus hij moet wel mee. En ja, een uur later komen ze bij een groot meer, midden in de woestijn. Zie je wel, zegt Amenhotep tegen Osiris. Ik wist wel dat God voor water zou zorgen. De kinderen hollen naar het water toe, maar Simeon rent ze voorbij. Hij laat zich met een plons in het water vallen en begint te drinken. Maar direkt springt hij overeind, en spuugt het water weer uit. Bah, roept hij. Wat een rotstreek! Dit water is bitter! Het is niet te drinken. Wat had je dan gewild, coca cola light soms, vraagt Amenhotep. Ach, hou je mond, kleine Egyptenaar, scheldt Simeon. Mozes, wat stelt dit nu weer voor? Wil je ons soms vergiftigen met dit bittere water?

De andere mensen beginnen ook te mopperen. Ze waren eerst wel blij geweest dat ze geen slaven meer waren, maar doodgaan van de dorst, dat vinden ze wel een erg groot offer voor hun vrijheid. Waren we nog maar in Egypte, zeggen de mensen. Maar Mozes bidt. En dan zegt hij tegen Amenhotep: Ga eens een groot stuk hout zoeken. Amenhotep rent weg, en komt even later terug met een grote tak. Hij zegt tegen Mozes: Deze tak lag op de grond naast een boom die van de droogte dood is gegaan. Ik hoop dat U er wat aan heeft.

Dat denk ik wel, zegt Mozes. Hij gooit de tak in het meer. Nu is het water goed te drinken, zegt hij. Neem je moeder in de maling, roept Simeon. Je denkt zeker dat we gek zijn? Ik ga echt niet nog een slok van dat bittere water drinken! Maar Amenhotep vertrouwt op Mozes. Hij weet dat God door Mozes de Israëlieten wil helpen. Hij loopt het water in, gaat op zijn knieën zitten, en begint te drinken. Heerlijk, zegt hij. Nog veel lekkerder dan chocomel. En al snel is het hele volk aan het drinken. Ook Simeon. En iedereen is weer erg tevreden.

*** Twee dagen na hun belevenissen bij het meer in de woestijn komen de Israëlieten bij een oase die Elim heet. Daar zijn twaalf waterbronnen, en er staan zeventig palmbomen. Er is genoeg te eten en te drinken, en ze hebben het er best naar hun zin. Ze blijven er een hele week. Maar dan zegt Mozes: Okee mensen, we gaan weer verder. Op naar het beloofde land! Neem net zoveel eten en drinken mee als je kunt dragen, want we moeten nog een heel stuk door de woestijn.
Waar ligt dat beloofde land eigenlijk, vraagt Simeon. Dat weet ik niet, zegt Mozes. We lopen gewoon achter de wolk aan. Je lijkt wel gek, zegt Simeon. We hebben het hier toch goed? Waarom zouden we niet gewoon hier blijven? Omdat dit alleen maar een oase is, sukkel, zegt Osiris. Dit is toch zeker niet het beloofde land? Hier kunnen we toch nooit een groot volk worden?
Ik wil helemaal geen groot volk worden, zegt Simeon. Ik heb gewoon geen zin om een heel stuk door de woestijn te lopen achter een wolk aan, op weg naar een land dat ik helemaal niet ken. Maar alle anderen vertrekken, en Simeon gaat toch maar mee. Drie dagen later is het eten op, en Simeon loopt weer verschrikkelijk te schelden: Dat heeft Mozes weer mooi voor elkaar! Daar staan we nu in de woestijn, zonder eten. Waren we nog maar in Egypte! Daar hadden we altijd genoeg.
Maar daar was je een slaaf, zegt Amenhotep.
Ach wat, zegt Simeon. Slaaf, slaaf, nou ja, we moesten hard werken. Maar dat is gezond. En nu, nu gaan we dood van de honger. Het is allemaal de schuld van Mozes. En wat doet Mozes er aan? Steekt hij zijn handen uit zijn mouwen? Nee hoor, moet je kijken, meneer zit gewoon te bidden. Mozes kijkt op. Hij zegt: Wees maar niet ongerust, Simeon. God zorgt voor ons. Vanavond zul je vlees eten, en morgenochtend brood. Lekkerder dan je ooit in Egypte gegeten hebt. En je krijgt het voor niets.
Hij is niet helemaal goed, zegt Simeon. Zeker te lang in de zon gelopen. Ook de andere mensen beginnen te mopperen. Maar Mozes zegt: wacht maar af. Het komt allemaal goed.
En die avond komen er ontzetten veel vogels aangevlogen. Ze vallen gewoon uit de lucht voor de voeten van de Israëlieten. Heerlijk vlees. Mals als kippen. Amenhotep en Osiris hebben nog nooit zulk lekker vlees gegeten. Ook Simeon zit te smullen, maar wel met een beetje een zuur gezicht. Hij is blij dat hij te eten heeft, maar hij is niet zo blij dat hij ongelijk heeft gekregen. De volgende ochtend is de woestijnbodem bij het kamp van de Israëlieten helemaal wit. Het heeft toch niet gesneeuwd, vraagt Amenhotep aan Osiris. Nee joh, dat is geen sneeuw, zegt Osiris. Dat is manna, een soort brood. Heerlijk witbrood. Proef maar. En Amenhotep en Osiris bunkeren zich helemaal vol.

Mozes zegt tegen het volk: raap zoveel op als je voor de rest van de dag nodig hebt. Laat de rest maar liggen, morgen valt er weer manna uit de lucht. Maar Simeon gelooft hem niet. Simeon vertrouwt liever op zichzelf dan op God. Hij pakt een grote mand, en laadt die vol met manna. Hij sjouwt zich de hele dag een breuk aan die mand, maar hij weet zeker dat hij de volgende dag weer brood heeft. En hij is niet van plan het te delen met anderen. Nee hoor, dan hadden die zelf ook maar een mand mee moeten nemen. Maar de volgende dag ligt er weer manna op de grond. En uit de mand van Simeon komt een vreselijke stank. Het manna van de vorige dag is bedorven. Wat ben jij toch ook een eigenwijs stom stuk vreten, zegt Mozes tegen Simeon. Je hebt nu zeker al twintig keer gezien dat God ons helpt. En nog steeds heb je geen vertrouwen? Ja, zegt Simeon. Zo zit ik in elkaar. Ik zorg het liefst zelf dat alles in orde komt. Ik houd er niet van om afhankelijk te zijn, zelfs niet van God. Maar ik zal echt mijn best doen om te veranderen. Dat wachten we dan maar af, zegt Mozes. Volgende week zien we wel verder.

Jan Blom
Wageningen, 30 maart 2003