| Startpagina > | Laatst gewijzigd: woensdag 4 juli 2007 |
Drie dagen trekken ze nu al door de woestijn. Mozes en de Israëlieten, en Osiris en Amenhotep met zijn vader en moeder. Plus alle schapen en kamelen die ze uit Egypte hebben meegenomen. Ze schieten niet hard op, want ze kunnen niet sneller gaan dan het kleinste kind kan lopen. En ze lopen ook niet in een rechte lijn. Voor hen uit aan de hemel gaat een wolk, en daar lopen ze achter aan. Maar die wolk gaat dan weer eens naar links en dan weer eens naar rechts. Amenhotep en Osiris zijn nog lang niet moe. Af en toe rennen ze een stuk vooruit, en dan blijven ze knikkeren of flippoën tot ze weer ingehaald zijn. Dan lopen ze weer een stukje met Mozes mee. Mozes loopt te zingen:
When Israel was in Egypts land
En de kinderen zingen:
Let my people go
Mozes weer:
Oppressed so hard they could not stand
En de kinderen:
Let my people go
Maar daar komt Simeon aan. Hij is een grote, ongeduldige man. Hij houdt niet van treuzelen. Zo schieten we toch niet op, zegt Simeon.Waarom loop je toch achter die wolk aan?
Die wolk is door God gestuurd, zegt Mozes. Hij wijst ons de weg.
Ik vind het maar een rare weg, zegt Simeon. Zo komen we er nooit. Trouwens, waar gaan we eigenlijk heen?
Naar het beloofde land, zegt Mozes.
En waar ligt dat, vraagt Simeon.
Dat weet ik niet, zegt Mozes. We lopen gewoon achter de wolk aan. God zal ons wel leiden.
Ben jij nou helemaal van lotje getikt, vraagt Simeon. Wat is dat voor een manier van doen? Je gaat toch niet zomaar een beetje achter een wolk aan door de woestijn lopen zwalken?
Je moet op God vertrouwen, zegt Mozes. Hij heeft ons uit de slavernij van Egypte bevrijd. Hij zal ook in de woestijn wel voor ons zorgen.
Simeon schudt zijn hoofd. Waar zijn we aan begonnen, zegt hij. In Egypte hadden we tenminste te eten. En nu lopen we door de woestijn te zwerven achter een wolk aan. En onze leider loopt liedjes te zingen. Dat loopt helemaal verkeerd af. Waren we nog maar in Egypte.
Nou, zegt Amenhotep, ik heb wel vertrouwen in Mozes. Als hij mij niet had geholpen was ik nu hartstikke dood geweest. Weet je nog wel, Simeon? Nog geen vier dagen geleden heeft God jouw oudste zoon gespaard. En de oudste zonen in alle huizen waar het bloed van het bokje aan de deur was gesmeerd. Alle andere oudste zonen in Egypte gingen er aan. Ben je na vier dagen al je vertrouwen in God kwijt?
Ach, hou je mond, kleine Egyptenaar, zegt Simeon. Wat weet jij nou van onze God? Ik zeg alleen dat we ons verstand moeten gebruiken, en niet als dwazen achter een wolk aan moeten lopen.
*** Intussen vergadert de Farao in zijn paleis met zijn generaal en andere hoge soldaten. Spionnen hebben de generaal verteld dat de Israëlieten de weg kwijt zijn geraakt in de woestijn. Eerst gingen ze pal naar het oosten, zegt de generaal. Maar toen gingen ze naar het zuiden, en toen draaiden ze weer om, en nu lopen ze regelrecht op de Schelfzee af. En daar kunnen ze niet verder. Ze hebben op school zeker niet goed opgelet bij aardrijkskunde. Ha, zegt de Farao. Dit is onze kans. We gaan er achter aan, en we nemen ze weer gevangen. Zouden we dat nu wel doen, vraagt een kolonel. Ze worden toch beschermd door een machtige God? Ach man, laat naar je kijken, zegt de Farao. Je hebt zeker een gaatje in je hoofd. Die God van dat slavenvolk, die kan toch nooit zo machtig zijn als onze goden? We hebben gewoon pech gehad, dat al onze oudste zonen ziek zijn geworden en dood zijn gegaan. Zeker een soort besmettelijk ziekte. Oudstezonitis of zo. Je moet niet denken dat overal een God achter zit. Precies, zegt de generaal. Het is een dom volk, die Israëlieten. Mijn spionnen hebben me gerapporteerd dat ze achter een wolk aan lopen. Moet je je voorstellen. Een wolk! Okee, zegt de Farao. Generaal, zorg ervoor dat om twaalf uur vanmiddag alle soldaten in hun jeeps zitten. Volledig bewapend. Alle zeshonderd tanks moeten ook klaarstaan. We kunnen ze nog vannacht ingehaald hebben. We hakken ze in de pan. En als er overlevenden zijn, dan nemen we die mee terug om weer als slaven bij ons te werken. Als U het niet erg vindt blijf ik toch maar liever thuis, zegt de kolonel. Jij bent gedegradeerd tot korporaal, stom rund, roept de Farao. En je màg niet eens meer mee! En als wij de slaven en hun schapen en kamelen verdelen, dan krijg jij lekker niks!
*** Zie je wel, daar heb je het al, zegt Simeon. Daar staan we nu. Aan de rand van de zee, en we kunnen niet verder. En die wolk hangt ook stil. God zal wel voor een oplossing zorgen, zegt Amenhotep. Ik geloof er niets van, zegt Simeon. En wat hoor ik daar achter ons? Amenhotep draait zich om. Het is bijna avond geworden, maar heel in de verte kan hij nog net iets zien bewegen. Het lijkt een grote stofwolk die dichterbij komt. En hij hoort het geluid van een heleboel jeeps en tanks. Daar komt het leger van de Farao, roept Simeon. Wat moeten we doen, Mozes? Heb je nu je zin? Waren we maar gewoon in Egypte gebleven. Nu worden we allemaal doodgeschoten door de soldaten. Rustig maar, zegt Mozes. Het komt wel goed. De wolk trekt over de Israëlieten heen, tot hij tussen hen en het Egyptische leger in staat. Dan blijft de wolk weer stil hangen. En Mozes tilt zijn staf op over de zee. Amenhotep weet niet wat hij ziet! De zee stroomt naar twee kanten weg, zodat er een droge baan te voorschijn komt. Kom op, mensen, roept Mozes. Op je hoeven! We trekken even door dat zeetje heen. En de Israëlieten lopen allemaal naar de overkant van de zee. Niet een krijgt er natte voeten.
Het Egyptische leger rijdt op topsnelheid door de woestijn. Voorop de Farao in zijn Mercedes 300 SEL Turbo, en daar achteraan alle jeeps en tanks. Kan je niet wat rustiger rijden, vraagt de Farao aan zijn chauffeur. Ik word hartstikke misselijk van al die hobbels en kuilen hier in de woestijn. Ja, U wou toch zelf de Israëlieten nog voor donker ingehaald hebben, zegt de chauffeur. Dan moeten we gas geven. Maar we zijn er nu bijna. Daar zie ik de zee al. Maar de Israëlieten zie ik nog nergens. Ik zie wel een laag hangende wolk. Daarachter zullen ze zich wel verscholen houden. Yes, roept de Farao. En de chauffeur rijdt met gas op de plank door de wolk heen. Dan ineens gaat hij vol in de remmen. Boem! De voorste jeep die vlak achter de auto van de Farao rijdt botst er bijna bovenop. Alle jeeps en tanks stoppen. Idioot! Sukkel! roept de Farao tegen zijn chauffeur. Waarom rem je nou? Kijk zelf maar, zegt de chauffeur. De Farao kijkt. Hij gelooft zijn ogen niet! Ze staan aan de oever van de zee, maar de zee is in twee delen gespleten, en tussen die twee delen door loopt een droog pad. Waarom staat dat pad niet op de kaart, vraagt de Farao. Ik denk dat uw kaart verouderd is, zegt de chauffeur. Gisteren was dit pad er nog niet. Nou ja, daar hebben we het later nog wel over, zegt de Farao. Nu eerst even die Israëlieten in de pan hakken. Waar zijn ze? Volgens mij zijn ze over dat pad door de zee getrokken, zegt de chauffeur. Nou, waar wacht je op, vraagt de Farao. Er achter aan! De chauffeur geeft gas. De Mercedes van de Farao en zijn hele leger rijden over de droge zeebodem naar de overkant.
***
Amenhotep en Osiris lopen achteraan. Ze zijn erg bang. Ze horen het Egyptische leger steeds dichterbij komen. Gelukkig slipt er af en toe een Egyptische jeep op de gladde grond, en dan botsen er een paar op elkaar, zodat de Egyptenaren niet erg snel kunnen opschieten. Maar langzaam maar zeker lopen ze toch op de Israëlieten in.
Eindelijk komen Amenhotep en Osiris aan het strand aan de overkant. Mozes staat daar al te wachten, met zijn staf in zijn hand.
Hoe moet dat nu, meneer Mozes, vraagt Osiris bang. De Egyptenaren zijn vlakbij. Over een paar minuten zijn ze hier.
Maak je maar niet ongerust, zegt Mozes. Zijn jullie de laatsten?
Ja, zegt Amenhotep.
Okee, zegt Mozes. Ik hoop voor die Egyptenaren dat ze hun zwembroeken aan hebben.
Hij tilt weer zijn staf op, en er klinkt een donderend geraas. De zee stroomt met een grote klap weer terug. En van Farao en zijn leger heeft niemand ooit meer iets gezien of gehoord.
Opgeruimd staat netjes, zegt Mozes. En hij begint te zingen:
When Israel was in Egypts land
En Amenhotep en Osiris zingen mee:
Let my people go.
*** *** Volgende week gaat het verhaal verder.
Jan Blom
Wageningen, 23 maart 2003