De tiende plaag

Amenhotep en Osiris zijn op het plein buiten het paleis aan het spelen. Ze gooien allebei een achtpunter op. Yes! roept Osiris. Ze wil de twee flippo's oppakken, maar ineens staat er een soldaat bij ze. Jullie moeten bij de Farao komen, zegt de soldaat.
Je ziet toch dat we bezig zijn, zegt Osiris. Zeg maar dat we geen tijd voor hem hebben. De soldaat pakt ze alletwee bij een lurf, en sleurt ze het paleis in. Osiris schopt hem hard tegen zijn been. Au! roept de soldaat. Laat dat, rotmeid! Goed, zegt Osiris, maar laat ons dan los. We kunnen zelf wel lopen.
Ze lopen achter de soldaat aan naar de werkkamer van de Farao. Wat loop jij te hinken, zegt de Farao tegen de soldaat. De soldaat krijgt een kleur. Hij durft niet te zeggen dat hij door een meisje geschopt is. Ik ben ergens tegen aan gelopen, zegt hij. Amenhotep en Osiris gniffelen. Waarom lachen jullie, vraagt de Farao. Uw soldaten moeten wat meer oefenen op hun marcheren, zegt Osiris. Ze lopen maar overal tegen aan, dat lijkt toch nergens op?
Dat is waar, zegt de Farao. Ga jij maar eens honderd rondjes om het paleis marcheren, zegt hij tegen de soldaat. De soldaat baalt als een stekker. Hij loopt boos hinkend weg. De Farao zegt tegen de kinderen: weten jullie waar Mozes en Aäron wonen? Ik wel, zegt Amenhotep.
Ga hem dan eens halen, zegt de Farao. Al die plagen die over ons land komen, dat wordt toch eigenlijk te gek. Ik denk dat ik die slaven toch maar laat gaan. Yes! roept Amenhotep. En de kinderen rennen het paleis uit, naar het huis van Mozes en Aäron. Mozes staat buiten in zijn tuin te werken. Hij knipt de heg met zijn Black en Decker. Meneer Mozes, roept Amenhotep. Goed nieuws! U moet bij de Farao komen, want hij wil U vertellen dat U en uw volk weg mogen.
Ik geloof er geen fluit van, zegt Mozes. Maar hij gaat toch met de kinderen mee. Bij het paleis zien ze de soldaat rondjes marcheren. Wat loopt die nou te doen, vraagt Mozes. O, dat is een geintje van mij, zegt Osiris. De soldaat kijkt kwaad, maar hij zegt niets. Hij loopt stug door. Even later staan Mozes en de kinderen voor de Farao. En Faar, vraagt Mozes. Je hebt je bedacht? Mogen we weg?
Ja, zegt de Farao, dat wil zeggen, jullie mogen de woestijn in om aan jullie God te offeren, als je dat zo graag wil. Maar jullie moeten wel al je spullen hier laten. Koeien, schapen, enzovoort. Dan weet ik tenminste zeker dat jullie terug komen. Mooi niet, zegt Mozes. We nemen alles mee. Nee, zegt de Farao boos. Ja, zegt Mozes. Dan laat ik jullie niet gaan, zegt de Farao. Wat ben jij toch dom, zegt Mozes. Nou heb je negen plagen over je land heen gekregen. Wil je nu echt nog een tiende plaag? Ik waarschuw je dat dat de ergste van allemaal wordt. Dit is echt niet meer om te lachen. Als je ons nu niet laat gaan, dan vallen er dooien. Vannacht zal de oudste jongen van elk gezin sterven.
Amenhotep schrikt. Hij is zelf ook de oudste zoon thuis. Maar de Farao is door het dolle heen. Wat denk je wel, schreeuwt hij. Mij in mijn eigen paleis komen bedreigen? Denk je nou echt dat ik je geloof? Omdat de Nijl toevallig een poosje rood is geworden en we wat last van kikkers hebben gehad? Maak dat je weg komt! Als ik je nog een keer zie, dan laat ik je doodschieten! Zorg dat je mij nooit meer onder ogen komt! Nee, zegt Mozes. Wij zullen elkaar nooit meer zien. En daar zal jij spijt van krijgen. Erg veel spijt. En hij loopt het paleis uit. Amenhotep en Osiris lopen met hem mee. Meneer Mozes, vraagt Amenhotep. Meende U dat, van die oudste zonen? Nee toch zeker? Dat was toch maar een geintje, hè? Nee, zegt Mozes. Dat meende ik bloedserieus. Maar dat is toch niet eerlijk, zegt Amenhotep. Ik ben ook de oudste thuis. Ik kan er toch niets aan doen dat de Farao zo'n eigenwijs stuk verdriet is? Mozes schrikt. Daar had ik niet aan gedacht, zegt hij.

*** *** Amenhotep is ontzettend bang. Hij heeft al zijn klasgenoten gewaarschuwd, maar die hebben hem uitgelachen. Ga toch weg, roepen ze. Je denkt toch niet dat de God van zo'n slavenvolk ons kwaad kan doen? Onze goden zijn toch veel machtiger? Alleen Osiris is het met Amenhotep eens. Hoe zat dat dan met al die andere plagen, vraagt ze. Ach, allemaal toeval, zeggen de andere kinderen uit de klas. Gewoon wat rood water in de Nijl, en een paar kikkers en muggen en vliegen, en hagelstenen. Daar zit geen God achter, dat is gewoon een beetje pech. Je moet niet zo snel geloven wat die Mozes zegt. Nee jongens, zegt Amenhotep. Jullie zien het helemaal verkeerd. De God van de joodse slaven is echt heel machtig. En Hij wil dat Zijn volk vrij wordt. Onze Farao maakt een hele grote fout. En wij zijn de klos.
Flauwekul, roepen de kinderen.
Als de school uitgaat staat meneer Mozes op Amenhotep te wachten. Amenhotep, vraagt hij, geloof je echt dat onze God machtiger is dan al die Egyptische namaakgoden? Ja, zegt Amenhotep. Dat geloof ik. En ik ben heel bang voor wat er vannacht gaat gebeuren. Dan kun je aan de straf voor de Egyptenaren ontsnappen, zegt Mozes. Kom maar met mij mee. Vannacht moet je bij ons zijn. Laat Osiris maar tegen je vader en moeder zeggen dat je weg bent gelopen. Dat zullen ze nu even niet leuk vinden, maar morgen zullen ze er erg blij om zijn. En Amenhotep gaat met Mozes mee, naar de huizen waar de joodse slaven wonen.

*** *** Die avond slachten alle joodse vaders een bokje, en ze strijken wat van het bloed aan de buitenkant van de deurposten. Daarna wordt het bokje gebraden op het vuur, en ze eten het op. En ze hebben er taai brood bij, dat niet goed gerezen is. Terwijl ze eten houden ze hun jassen aan, en ze hebben hun wandelschoenen aan hun voeten. Amenhotep eet bij meneer Mozes en mevrouw Sippora en hun zoon Gersom thuis, en hij vraagt aan Mozes wat dit allemaal te betekenen heeft. Mozes zegt: vannacht zullen de oudste zonen sterven in alle huizen waar geen bloed aan de deurposten is gesmeerd. En we eten ongerezen brood omdat we geen tijd hebben om te wachten tot het brood goed is. Daarom hebben we ook onze jassen en wandelschoenen aan. We moeten elk moment klaar zijn om te vertrekken uit de slavernij van Egypte. En deze maaltijd, het Pascha, zullen de Joden voortaan elk jaar houden, om nooit te vergeten dat we slaven zijn geweest in Egypte, en dat onze God ons bevrijd heeft.

*** *** De volgende ochtend is er veel verdriet in Egypte. De oudste zoon van de Farao is dood, en de oudste zoon van de generaal, en de oudste zoon van de jongste bediende, en alle andere oudste zonen in heel Egypte.
De Egyptenaren zijn niet alleen verdrietig, maar ook enorm geschrokken. Die God van de Joden, waar ze zo om gelachen hadden, die God is dus toch veel machtiger dan de Egyptische goden. Ze komen de Joden vragen of ze alsjeblieft weg willen gaan. Ze komen zelfs geld en goud en juwelen brengen, als de Joden maar snel willen vertrekken. De Egyptenaren zijn veel te bang dat de God van de Joden nog meer plagen zal sturen. Er is maar één Egyptisch gezin niet verdrietig. Dat is het gezin van Amenhotep. Zijn vader en moeder zijn vreselijk blij dat hun zoon gespaard is. Ze vragen aan meneer Mozes of ze misschien mee mogen, Egypte uit, op weg naar het nieuwe land waar de Joden gaan wonen. En meneer Mozes vindt het goed. En zo komt het dat die dag Amenhotep met zijn vader en moeder met de Joden mee gaan. Ook Osiris gaat mee, want die wil niet in Egypte blijven als Amenhotep weg gaat.
Volgende week gaat het verhaal verder.

Jan Blom
Wageningen, 16 maart 2003