| Startpagina > | Laatst gewijzigd: woensdag 4 juli 2007 |
Amenhotep is een jongen van acht jaar oud. Zijn vader is de broer van de oom van de neef van de Farao, en zijn moeder is de zus van de tante van de vrouw van de Farao, dus mag hij met zijn vader en moeder in een van de gebouwen bij het paleis wonen. Amenhotep is hun oudste zoon. Elke dag gaat Amenhotep naar de school die de Farao gesticht heeft. Bij Amenhotep in de klas zit Osiris, de dochter van de Farao. Ze spelen heel vaak samen. Op een dag zijn Amenhotep en Osiris op de trappen van het paleis aan het knikkeren. Ineens valt er een schaduw over de knikkers. Ga weg, roept Amenhotep, ik kan mijn knikkers niet goed zien. Dan kijkt hij op, en hij ziet twee oude mannen. Twee mannen van het Joodse slavenvolk. Ze hebben allebei een staf in hun hand. Wat komen jullie hier doen, vraagt hij. Dat zul je wel zien, zeggen de mannen. Ga maar mee. En Amenhotep en Osiris lopen achter de mannen aan, het paleis in. Voor de werkkamer van Farao staat een soldaat op wacht, met een geweer in zijn hand. Halt! roept de soldaat. Wie zijn jullie en wat willen jullie? Ik ben Mozes, zegt een van de mannen. En hij is Aäron. Wij willen die mooie Farao van jou spreken. Wacht hier, zegt de soldaat. Hij loopt de werkkamer in, en komt even later weer naar buiten. Jullie boffen, zegt hij. Kom maar mee. Met zijn allen lopen ze de kamer in. De farao zit achter zijn bureau. Faar, zegt de soldaat, dit zijn Mozes en Aäron. Dat weet ik, zegt de Farao. Die zijn hier al eens vaker komen zeuren. 't Zal mij benieuwen wat ze nu weer willen. Wij willen nog steeds hetzelfde, zegt Aäron. Laat ons volk gaan, de woestijn in om onze God een offer te brengen. Haha, zegt de Farao. Die God van jullie, die ken ik helemaal niet. Kan die soms wonderen doen, net als onze goden? Mozes geeft Aäron een teken. Aäron gooit zijn staf op de grond, en Amenhotep schrikt zich te pletter. De staf verandert in een slang! Help, roept hij. Help, roept Osiris. Help, roept de Farao. Hij klimt boven op zijn stoel. De soldaat schiet zijn geweer leeg op de slang, maar hij staat zo te bibberen van angst dat hij wel tien keer mis schiet. Uit het hele paleis komen mensen aanlopen, om te kijken wat er geschoten wordt, en ze rennen net zo hard weer weg, zo bang zijn ze. Maar kijk, daar komt de tovenaar van de Farao al aan. Wat is er aan de hand, Faar, vraagt hij. Kijk dan, stomkop, brult Farao. Zie je die slang niet? Die rot-Aäron heeft zijn staf op de grond gegooid, en nu is het een slang geworden! Is dat alles, vraagt de tovenaar. Dat kan ik ook. En hij gooit zijn staf op de grond, en kijk, die verandert ook in een slang.
Amenhotep wordt steeds banger. De Farao ook. Hij staat boven op zijn stoel te beven. Driedubbelovergehaalde idioot, roept hij. Nu zijn er twee slangen! Mooi niet, zegt Aäron. En zijn slang kruipt naar de Egyptische slang toe, en vreet hem op, met huid en haar. Dan pakt Aäron de slang beet, en ineens is het weer een gewone staf. En mijn staf dan, vraagt de tovenaar. Die ben je mooi kwijt, zegt Aäron. Moet je maar niet denken dat je met je toverkunstjes tegen de wonderen van onze God op kan. En, hoe zit het, Faar? Laat je ons volk nu gaan? De Farao klautert van zijn stoel af. Hij ziet nog bleek van de schrik. Wat denken jullie wel, vraagt hij. Mij hier een beetje voor aap zetten. Voor slang zal je bedoelen, zegt Aäron. En nog brutaal ook, roept de Farao. Nou, mooi niet dus. Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om jullie te laten gaan. Nee, dat zie ik, zegt Aäron. Je bent zo kaal als een biljartbal. Maar je zult er spijt van krijgen. We zien je morgen wel, als je gaat zwemmen in de Nijl. Opgedonderd jullie, roept de Farao. Ze lopen de kamer uit. Wat ga je morgen dan doen, vraagt Amenhotep aan Aäron. Kom zelf maar kijken, zegt Aäron. Je zal het wel zien als morgenochtend die uitslover in de Nijl gaat zwemmen. Hij zal nog lelijk op zijn neus kijken.
De volgende dag is Amenhotep al voor dag en dauw uit zijn bed. De Farao gaat altijd heel vroeg zwemmen, en Amenhotep wil voor geen goud missen wat er gaat gebeuren. Hij eet gauw een boterham met pindakaas, drinkt een glas karnemelk, en rent naar de rivier. Onderweg komt hij Osiris tegen. Waar is je vader, vraagt hij. Die komt zo, zegt Osiris. Hij is wat later, want hij heeft zich gesneden met het scheren. Heeft hij dan geen electrisch scheerapparaat, vraagt Amenhotep. Nee joh, die worden pas over drieduizend jaar uitgevonden, zegt Osiris. Bij de rivier zien ze Mozes staan. Dag meneer Mozes, roepen ze. Waar is Aäron? Die komt zo, zegt Mozes. Hij is wat later want hij heeft zich gesneden met het scheren. Ach ja, het wordt hoog tijd dat ze electrische scheerapparaten uit gaan vinden. Daar komt de Farao, en van de andere kant komt Aäron aanhollen, met de staf in zijn hand. Ze hebben allebei een pleister op hun kin. Dag Faar, roept Aäron. En, heb je je al bedacht? Absoluut niet, zegt de Farao. Hij doet zijn badjas uit, en wil in de Nijl springen. Maar Aäron geeft de staf aan Mozes, en Mozes slaat met de staf op het water. Wil je me soms natspatten, brult de Farao. Nee, zegt Aäron, wacht maar even. En ineens is het water van de Nijl rood als bloed, en het stinkt een uur in de wind. Er komen allemaal dooie vissen boven drijven. Jjasses wat vies, roept de Farao. Nou, Faar, dat wordt voorlopig niet zwemmen, zegt Aäron. Of heb je je bedacht? Mag ons volk weg? Geen denken aan, brult de Farao. Hij trekt zijn badjas aan, en loopt weg. Mooie zwembroek trouwens, roept Aäron hem achterna. Waar heb je die gekocht? Bij Intersport? En de Egyptenaren kunnen een week lang het water uit de Nijl niet drinken. Ze moeten hele diepe putten graven om bij schoon water te komen.
Een week later speelt Amenhotep op het plein voor het paleis als de postbode een brief komt brengen. Hier jongen, zegt de postbode, een brief voor de Farao. Amenhotep pakt de brief aan, en brengt hem naar binnen. Lees hem maar voor, zegt de Farao. Jij leert toch lezen op school? Dat heb ik nooit geleerd. Amenhotep haalt de brief uit de envelop, en leest hardop:
Beste Faar
En hoe zit het, heb je nog lekker gezwommen, de afgelopen week? 't Is toch wat hè, met dat water van de Nijl? We vinden het echt naar voor je. Nou. Maar nu even wat anders. Laat je ons volk nu gaan? Anders zal onze God weer even een mop uithalen. We zullen je vast een hint geven: Het komt uit de rivier en het kwaakt.
De Farao wordt rood van woede. Geen denken aan, roept hij. Ik laat ze niet gaan! Wat denken ze wel? De volgende ochtend wordt Amenhotep vroeg wakker omdat er iets over zijn gezicht loopt. Hij doet zijn ogen open, en ziet een kikker. Jasses! De kikker kwaakt, en Amenhotep hoort nog vijf kikkers kwaken. Hij kijkt om zich heen, en ziet dat zijn hele kamer vol zit met kikkers. Hij slaat de kikkers van zich af, kleedt zich aan, en loopt naar het paleis, waar hij een heleboel keukenmeiden hoort gillen, en ontzettend veel kikkers hoort kwaken. Farao zit in zijn werkkamer, achter zijn bureau. Hij ziet heel bleek en trekt een vies gezicht. De kamer is vol met kikkers. Mozes en Aäron zijn er ook, en Amenhotep hoort Farao tegen Mozes zeggen: Nou okee dan, jullie volk mag vertrekken. Fijn, zegt Aäron. Dan zullen die kikkers ook verdwijnen. Dank je wel, Faar, het was prettig zaken met je te doen. Mozes en Aäron verlaten het paleis, en ook de kikkers verdwijnen. Amenhotep ziet de Farao met de minuut opknappen. Ik lijk wel gek, zegt hij bij zichzelf. Die slaven laten gaan? Waarom zou ik? Die kikkers zijn nu toch zeker verdwenen? Nee, hoor, die Joden blijven mooi hier.
En zo gaat het negen keer achter elkaar. De God van Mozes en Aäron brengt negen keer een plaag over Egypte. Eerst komen er horden muggen, dan steekvliegen, dan worden de koeien en schapen ziek en gaan dood, dan krijgen de mensen zweren over hun hele lichaam, dan gaat het ontzettend hard hagelen zodat iedereen die niet binnen is doodgehageld wordt en de hele oogst naar de Filistijnen gaat, er komt een sprinkhanenplaag, en drie dagen lang schijnt de zon niet. En steeds zegt de Farao: oké, jullie mogen gaan, maar als dan de plaag voorbij is bedenkt hij zich, en dan houdt hij de Joden toch in de slavernij van Egypte vast. En dan komt de tiende plaag. Daarover gaat het de volgende week.
Jan Blom
Wageningen, 9 maart 2003