Mozes vlucht naar Midjan

Vorige week hoorden we over de geboorte van Mozes, die door de prinses in het biezen mandje in de Nijl werd gevonden. De prinses nam hem mee, en zo kwam het dat Mozes opgroeide aan het Egyptische hof. Hij keerde lezen, schrijven, rekenen, stijl en taal en tekenen, aardrijkskunde en geschiedenis, kijken op de klok hoe laat het is. Kortom, hij werd een echte prins. Hij oefende met gewichten, en elke dag ging hij een rondje trimmen. Hij werd heel groot en sterk.

De Farao laat een pyramide bouwen, de grootste die er ooit gebouwd is. Dat doet hij natuurlijk niet zelf; daarvoor heeft hij Joodse slaven. Die moeten harder werken dan ooit.

Op een dag gaat Mozes een rondje hardlopen, langs de nieuwe pyramide. Hij loopt er drie keer omheen, en staat dan stil om even uit te blazen. Hij kijkt naar de slaven. Wat werken ze hard. Ja, dat moet ook wel, want de opzichters lopen achter ze aan te schreeuwen. En Mozes ziet dat een opzichter een van de slaven slaat met een zweep.

Mozes loopt naar de opzichter toe, en zegt: kan ik jou even onder vier ogen spreken? Ja hoogheid, zegt de opzichter. Ze lopen om de pyramide heen, naar de achterkant waar niemand is. Mozes zegt: dat moet je toch niet doen joh, iemand met een zweep slaan. Daar gaan ze echt niet harder van werken. De opzichter zegt: waar bemoei jij je mee? Nou, zegt Mozes, ik vind het gewoon geen leuk gezicht. Ach, zegt de opzichter, ben jij nou een prins? Volgens mij ben jij zelf een halve Jood. Nee, zegt Mozes, ik ben een hele Jood. Ik ben door de prinses gevonden in het water. Nou, zegt de opzichter, dan heb ik met jou niks te maken. Of wil jij soms ook aan de pyramide komen werken? Hou je grote mond, anders sla ik jou ook met mijn zweep. Mozes wordt kwaad, hij haalt uit, geeft een enorme knal, en de opzichter ligt dood op de grond.

Wat vinden jullie daarvan?

Verrek, denkt Mozes, wat heb ik nu gedaan? Ik ben toch wel erg sterk. Daar kon ik wel eens spijt van krijgen. Een Egyptische opzichter doodslaan, dat mag natuurlijk niet. Nou ja, gelukkig heeft niemand het gezien. Gauw wegwezen. En hij holt terug naar het paleis.

De volgende dag leest Mozes in de krant een artikel met een grote kop: Opzichter dood gevonden achter nieuwe pyramide. Van de dader ontbreekt elk spoor. Mooi, denkt Mozes.

Twee dagen later rent Mozes weer langs de pyramide. En daar ziet hij twee Joodse slaven die ruzie maken met elkaar. Dat is mijn hamer, zegt de een. Nee, ik had hem het eerst, zegt de ander. Maar ik werk altijd met die hamer, zegt de een weer. Mozes gaat er op af. Maak toch geen ruzie, zegt hij. Jullie hebben het al moeilijk genoeg.

Wat vinden jullie daarvan?

Bemoei je er niet mee, halve prins, zegt de eerste ruziemaker. Of wou je ons soms ook doodslaan?

Mozes schrikt. De slaven weten dus dat hij het gedaan heeft! Dan weten de Egyptenaren het binnenkort ook. Hij rent de woestijn in, in trainingspak en op zijn hardloopschoenen. Hij loopt zeven dagen door. 's Nachts slaapt hij in de open lucht. Hij krijgt af en toe wat eten van mensen die bij de oases wonen.

Wat zijn oases?

Na zeven dagen komt hij weer bij een oase. Hij rust uit bij de bron. Daar komen zeven meisjes aan met hun schapen. Mooie meiden, denkt Mozes. Wat lijken ze op elkaar. Hij vraat: zijn jullie soms zussen van elkaar? De oudste zegt: Ja. Ik ben Zippora. Wij zijn dochters van Jetro. Wij komen onze schapen laten drinken. Ik vind je zussen erg mooi, zegt Mozes. Maar ik vind jou nog mooier. Dat klopt, dat vind ik ook, zegt Zippora. En de meisjes beginnen met emmers water uit de bron naar boven te halen om aan de schapen te geven.

Daar komen andere herders aan met hun schapen. Opzij jullie, roepen ze tegen de meisjes. Wij gaan voor. Maar Mozes staat op, en gaat op de grootste herder af. Hij vraagt: Had je wat? De herder kijkt Mozes eens aan, en ziet hoe groot en sterk hij is. Nee meneer, zegt hij. Mozes vraagt: Hoorde ik jou wat zeggen? Nee meneer, zegt de herder. Mozes zegt: Ik hoor soms wat slecht, dus als je wat zei, dan moet je het nog maar eens zeggen. Nee, meneer, ik zei echt niets, zegt de herder. Mozes zegt: Ik geloof dat ik je hoorde zeggen dat jullie deze meisjes wel even zullen helpen met hun schapen water te geven? Ja, meneer, zegt de herder. Kom op jongens, laten we even water uit de bron halen voor de schapen van deze meisjes.

Zippora kijkt Mozes vol bewondering aan. Wat een sterke man. Zelfs de herders zijn bang voor hem.

Als de schapen gedronken hebben gaan de meisjes naar huis. Wat zijn jullie vroeg, zegt Jetro. Waren de herders er vandaag niet om voor te dringen? Ja, zegt Zippora, maar er was een hele grote sterke man, die ons heeft geholpen. En hij heeft zelfs de herders ons laten helpen. Nou zegt Jetro, waarom hebben jullie die man niet uitgenodigd om bij ons te komen eten? Goed plan, zegt Zippora, en ze rent terug naar de bron. Gelukkig, Mozes zit er nog. Hij wil graag bij ze komen eten. En 's avonds bloeit de liefde op. Mozes blijft bij Jetro en zijn dochters wonen, en hij trouwt met Zippora. Ze krijgen een zoon, die ze Gersom noemen. Dat betekent vreemdeling. Want Mozes zei: ik ben vreemdeling geworden in een vreemd land.

Jan Blom
Wageningen, 2 maart 2003