Sporen in het zand

 

Het is altijd een hachelijke zaak om kritisch te schrijven over hetgeen velen dierbaar is. Er is veel misverstand rond het woordje 'kritisch'. Velen denken dan meteen aan een negatief oordeel en dan is de lijn gauw doorgetrokken naar een veroordeling. Vervolgens denken mensen vaak dat zij als personen worden afgewezen wanneer een dragend concept van hun persoonlijk geloof of levensinstelling door een ander niet wordt gedeeld. Het ligt gevoelig en de lange tenen steken nu eenmaal bijzonder kwetsbaar uit de sandalen van ons gelovigen. Toch hebben we er baat bij wanneer we datgene wat we geloven in het gesprek met elkaar toetsen. Want vaak zit er iets in of bij, wat we zo nog niet hebben gezien. Of we leren kennen hoe het iemand anders vergaat met een door onszelf gekoesterde gedachte of voorstelling.

Het beeld
Onlangs had iemand het er weer over. Het was in een gesprek met onze oecumenische vrienden uit Gödöllö. We zaten om de tafel in de Bevrijdingskerk, praatten over de 'ideale geloofsgemeenschap' en gingen deze vervolgens uitbeelden in groepjes met een fel papier en waskrijt. Bij de evalutie zei dan een Wageningse deelneemster dat zij op dit moment niet zo veel heeft met een concrete geloofsgemeenschap. Maar wat haar bij het geloof houdt, was het beeld dat ze ooit tijdens een verblijf in de VS had gehoord. En ja hoor, toen kwam het: 'We liepen aan de zee en onze lieve Heer liep mee. En toen kreeg ik het heel erg moeilijk, een hele zware tijd. Nadat het weer beter ging, heb ik omgekeken en zie: daar was nog maar één voetspoor in het zand. Ik vroeg de lieve Heer waar hij nou was gebleven juist op het moment dat ik Hem het hardst nodig had. Toen kwam het antwoord: Het zijn niet jouw voetsproen. Het zijn mijn voetsporen terwijl ik je gedragen heb, mijn kind.'
Een heel mooi beeld met een verrassende wending, ik geef het toe. Het straalt geborgenheid uit, vertrouwen en gedragen-zijn. Ik zie een moeder of een vader met een klein kind in haar of zijn armen. Zij wiegen het kind heen en weer om het rustig te maken. Zij praten of zoemen zachtjes met de ongedeelde aandacht bij het kind om het te troosten, wanneer het pijn voelt of bang is. Prachtig! Een mens ook al is die volwassen heeft dat af en toe nodig, zeker wanneer ziekte of verdriet het leven zwaar en donker maakt. In een pastoraal gesprek zal ik de laatste zijn om aan dit beeld iets af te doen. Maar als ik erover nadenk zie ik daar wel een paar wormen onder het zand.

Het gods- en mensbeeld
Toen ik dit gedicht voor het eerst op een mooie tegel geprent naast een kachel heb zien hangen, heb ik in mijn jeugdige naïviteit gezegd, dat ik onaangenaam geraakt was door het gods- en mensbeeld dat in dat gedicht naar voren kwam. Vlak daarvóór ben ik als pastor bij een man geweest wiens vrouw enkele maanden geleden aan kanker was overleden. Het afschuwelijke en vernederende lijden, het onmachtsgevoel bij haar dood, de leegte daarna en het feit dat hij met drie nog jonge kinderen alleen kwam te zitten, hebben hem tot een ongelovige man gemaakt. Vergeldt God op deze wijze al het vertrouwen en de trouw die zich neersloeg in geregelde kerkgang, bidden voor het eten en een fatsoenlijk leven? Een oude vrouw heeft mij een keer in het ziekenhuis helemaal verontwaardigd toegefluisterd: 'zij doen nergens aan en ze mogen eerder naar huis dan ik.' Dit was een heel pure emotie. Zo voelde dat gewoon. Had ze niet iedere keer weer gehoord dat God je helpt en je verlost van alle kwaad en graag zo snel mogelijk. Zo een godsbeeld stort mensen in een puur afwachtende en eigenlijk puur eisende houding. En het laatste is inderdaad nogal infantiel: als klein kind kunnen wij niet anders dan zorg en aandacht eisen, want wij kunnen in die fase van ons leven alleen maar ontvangen. Naast het eisende zit daar ook nog iets rancuneus. Als God jou nu niet gedragen heeft? En de voetsporen zijn toch alleen maar de jouwe? Dan heeft Hij jou in de steek gelaten. En wat let je dan nog om zo een god aan de kant te schuiven? Andersom gezegd: met zo een godsbeeld doen we mensen niet alleen maar een plezier.
En dan het mensbeeld. Toen ik dat gedicht las voelde ik boosheid. Wat is dat voor een god, die mij niet zelf door die ellende, die moeite, dat verdriet, die pijn heen laat gaan? Vindt Hij mij te zwak? Hij ontneemt mij een belangrijke ervaring waaraan ik kan groeien, mezelf ervaren en de hulp die ik van anderen krijg en waardeer. Ik wil niet op een wijze gedragen worden, dat ik zelf geen sporen meer maak. Dat hoort bij mijn geschiedenis, ook datgene wat ik lastig, moeizaam en pijnlijk vind. Ik wil mij niet laten opheffen. Ik wil met mijn voeten de aarde blijven voelen en zijn ze nog zo wankel. Ik ben geen kind meer dat gedragen moet worden. Ondersteuning en medeleven is wat mij draagt en niet overbescherming.

Een ander beeld
De bijbelse God is een andere dan deze geïdealiseerde ouderliefde die mij in mijn nood onmondig (in-fantum) maakt. Was Hij niet een Stem die tegen Mozes zei: 'Ik zal met je zijn'? Deze Stem zei niet: Mozes, let wel, als het voor jou te moeilijk wordt, ogen dicht, mond dicht, ik draag je er wel doorheen.' Ook achteraf heeft Mozes niet verteld dat hij het zo had ervaren. In zijn vertrouwen op Gods mee-gaan heeft hij kracht ontvangen, bevrijding geörganiseerd én ook ervaren, passief en aktief tegelijk. En wat me iedere keer weer in de genezingsverhalen van Jezus raakt, is dat hij zegt: jóuw vertrouwen heeft je weer heel gemaakt'. Hij neemt de pijn niet weg. Hij tilt je niet van de grond, hij ontneemt niet je elementaire ervaring van je kwetsbare mens-zijn. Hij doet in de ontmoeting met Hem een beroep op je vertrouwen en mobiliseert je eigen vitaliteit en zelfvertrouwen, inzicht en gevoeligheid om er samen met anderen erdoorheen te komen. Jezus gunt ook de ervaring van genezing aan diegene die ziek is geweest of opstanding aan diegene die dood is geweest - op welke wijze dan ook. Als ik dat beeld van de sporen op het strand oppak, dan zie ik als gelovige daar toch altijd maar twee voetsporen op lopen, ook en juist op het moment, dat het een mens te zwaar wil worden en hij liever door de moeite heen wil worden gedragen. God ontmoet ons als 'naaste' die meedraagt en meevecht, zodat we achteraf kunnen zeggen, ziezo, ook ik heb mijn aandeel bijgedragen in de genezing, de verwerking, de aanvaarding, het sterven en het toch altijd weer levendig zijn. Ik ben geholpen, daarvoor intense dank en mijn hart blijft vol verwachting om als het erom spant weer liefde te mogen en te kunnen ontvangen. Ik ben geholpen en een diepe ervaring rijker en sterker geworden, zodat ook ik anderen kan helpen, steunen en ondersteunen, wanneer dat nodig is en op de wijze dat diegene die daar behoefte aan heeft ook in der daad mee geholpen is - niet meer en niet minder. Als dat niet dragend is.

Wageningen, 8 juni 2004
Rainer Wahl