| Startpagina > |
Als PGW-kerkenraad en –gemeente hebben wij enkele maanden geleden uitgangspunten geformuleerd. Zij moeten ons helpen om onze positie te vinden in het plaatselijke SoW-proces. Dieper nog dan deze locale behoefte ligt het verlangen om eindelijk aan de weet te komen ‘wie wij als protestantse gemeente werkelijk zijn'. ‘Waar staan wij voor?' zo luidt de vaak gehoorde vraag. Het gaat om onze eigen identiteit. Deze vraag ligt in de lucht en waar je mee bezig ‘moet' zijn, ligt meestal ook een diep probleem. Het probleem is: onzekerheid. Er zijn meer vragen dan antwoorden. En in onze geseculariseerde tijd van menings- en beeldvorming wordt de vraag niet voor niets gesteld: Wie ben je nu eigenlijk werkelijk?
Bij de pogingen om hier in onze gemeente een antwoord op te geven, komt één begrip steeds weer naar voren: ‘openheid'. Wij willen een ‘open gemeenschap' zijn, zo stond het al in ons mission-statement dat de kerkenraad enkele jaren geleden geformuleerd heeft. In de uitgangspunten is de ‘open gemeenschap' van het mission-statement wat geconcretiseerd in de richting van de oecumene, de omgang met bijbel en traditie en de acceptatie van verschillen tussen mensen. Dit is een hele goede zaak. Toch zit ik met de manier waarop deze uitgangspunten gaan functioneren. Ik bedoel hiermee niet, dat ‘open' in onze gemeente ook ‘vaag' kan betekenen. We houden graag een slag om de arm en ook ik geef toe, dat vrijblijvendheid zo nu en dan best prettig is. Maar daar wil ik nu niet verder op in gaan.
Er is nog iets anders aan de hand met dit toverwoordje ‘open', wat ik graag aan jou, lezend gemeentelid of gast op onze site, wil voorleggen. Het speelt een rol in onze relatie met de wijken 1 en 3 van de hervormde gemeente. In menige discussie maak ik mee, dat wij ons zelf als een ‘open gemeenschap' karakteriseren en hen als een ‘gesloten gemeenschap.' Zonder dat we het in de gaten hebben gebeurt het volgende.
Ten eerste wordt het kenmerk, dat je voor je zelf graag als identiteitsbepalend ziet, tot een kwaliteit die vervolgens tot norm wordt verheven. En met een norm meten wij liever niet ons zelf, maar de ander. ‘Open' is beter dan ‘gesloten'. Zouden de wijken 1 en 3 over zich zelf ook zeggen, dat zij ‘gesloten' zijn? Is dit een kwalificatie die wìj erop plakken, omdat wij nu eenmaal zo ‘open' zijn en het blijkbaar nodig hebben dit ‘open' af te zetten tegen de ‘geslotenheid' van de ander? Op deze wijze wordt ten tweede het woordje ‘open' in zijn tegendeel verkeerd. Wij sluiten ons af voor de door ons onderkende en als negatief beoordeelde ‘geslotenheid' van de ander.
Onze identiteit is dan niet positief, maar negatief bepaald. Wij kunnen ons op deze wijze met de ander niet verbinden, maar moeten ons van hem afzetten. Wat sterk lijkt, is in wezen zwak.
Is daarmee het woordje ‘open' onzinnig geworden? Nee. Ik wil het graag op een andere wijze ingevuld zien. Laten wij ‘open' en dus nieuwsgierig zijn, wie de ander is, welke motieven zij erop na houdt. Deze ‘principiële' openheid zie ik wel bij Jezus, die heel direct kon communiceren, ook met zijn tegenstanders. En daar ging het niet om ‘wij' en ‘zij', een denken in zwart-wit contrasten, waaruit schisma's en oorlogen ontstaan, maar om de concrete invulling van de levensweg die ons door de Barmhartige (we lazen net de veldrede afgelopen zondag 22 februari, vooral: Lucas 6 :36 ) is geopend. Het gaat om creatieve durf, om echte ontmoeting en overgave. In die ontmoeting blijkt telkens weer wie wij zijn of kunnen zijn (positief en negatief) en tot wie wij ons in communicatie met de ander kunnen ontwikkelen. Als wij de inbreng van verschillende mensen en groepen werkelijk willen toelaten, zal ook onze gemeente daardoor veranderen of wij nemen het woordje ‘open' niet echt serieus. Dan beschrijft het geen ‘zijn', maar een pretentie. Dan zegt het niets over onze werkelijkheid, maar veel over onze ideologie. Dan strooien wij ons zelf en anderen zand in de ogen. Onze Inspirator raakt daarbij ook buiten beeld.
Dus wees a.u.b. voorzichtig met ‘eigen identiteit'. Zonder dat je het in de gaten hebt, maak je je zelf tot norm en je verheft je buiten de ander. Verschillen zijn leuk zolang zij me niet raken. En ik maak zelf wel uit wie ik toelaat en wie niet. Egocentrische eigenmacht komt op de proppen. Trouwens: totale identiteit – dat is de dood, een ieder gereduceerd tot hetzelfde geraamte. ‘Eigen identiteit' verwijst in het beste geval terug naar de zuilenmaatschappij van voor de Tweede Wereldoorlog en in zijn slechtste geval ontaardt het in puur fascisme: eigen volk eerst; de anderen moeten aan ons gelijk worden of zij zijn zelf schuld, wanneer zij van de aardbodem worden weggevaagd. En sommigen kunnen niet aan ons gelijk worden, want zij zijn zwart of jood of moslim of buitenlander of achterlijk… ‘Eigen identiteit' maakt in uiterste consequentie het leven van ‘de ander' tot een hel. Dus: naar de prullenbak ermee en niet meer gebruiken dat onzalige begrip. Dat geldt ook voor onze orthodoxe broeders die het maar al te graag inzetten voor hun zelfhandhaving in een groep die met de fusie groter is geworden met alle vervagende loyaliteitsgevoelens van dien.
Ergens voor staan, een bepaalde weg gaan, elkaar op iets aanspreken, dat is allemaal heel iets anders, dan de borstklopperij van een ‘eigen identiteit'. Heeft onze goede broeder Jezus niet gezegd, dat wie alleen zich zelf zoekt, zich zelf zal verliezen? Laten we a.u.b. van en met elkaar leren, wie wij zijn, telkens weer opnieuw, open voor kritiek en zelfkritiek. Als mensen en dito groepen zijn wij nooit af en kunnen daarom ook definitief niet weten, wie wij zijn. Da's maar goed ook, want dat biedt nog perspectieven! Ook voor ondergetekende.
Rainer Wahl