| Startpagina > | Laatst gewijzigd: woensdag 4 juli 2007 |
Een dominee van een klein provinciestadje in het oosten des lands fietste naar het bejaardentehuis 'De Rusthof'. Het was een heldere dag in de Goede Week van een nat jaar. Regen hing in de lucht. De straat glansde nog na van het net gevallen vocht. Alhoewel de straat nogal glibberig was, ging de aandacht van de dominee niet uit naar de straat, maar naar zijn gedachten. En omdat het een onverbeterlijke gelovige was, zat hij eerder in zijn verbeelding dan op de fiets. Tijdens de voorbereiding op de preek had de kus van Judas zich in zijn hoofd genesteld. Wat zou dat voor een kus geweest zijn? Een kus die gewoon hoorde bij de ontmoeting van oriëntaalse mannen? Zo'n vluchtig vluggertje op de ongeschoren wangen met een breed gebarende, maar nauwelijks aanrakende omarming? Hij kon het zich niet anders voorstellen en het moest een intieme kus zijn geweest van lip op lip. Het moest een kus zijn geweest van mannen die niet bang waren elkaar lichamelijk nabij te komen. Het was de kus van vrienden die veel in hun leven met elkaar zijn gaan delen. Zij raken elkaars lippen, toegangspoorten tot de lijven waartoe zij behoren. Lippen vormden de woorden, waarmee ze elkaar bereikten. Lippen namen eten op, waarmee ze elkaar hadden gevoed. Zij brengen ze bij elkaar in lijf en ziel openende aanraking. Vriendschap en verraad in één gebaar. Zou Judas de ogen gesloten hebben gehad of Jezus met gespeeld vertrouwen in de ogen gekeken? Had hij zijn ogen afgewend? Wat gaat niet mis met een kus, besloot de in nattigheid fietsende dominee zijn overpeinzingen. Net op tijd, want van links komend zag hij als in een flits een jonge vrouw, van wie hij de voorrang had ontnomen. Met een harde trap boog hij naar rechts. Hij had geluk, de fiets slipte niet op het natte wegdek. Dat was op het nippertje.
'Man, pas toch op, sukkel' riep de vrouw hem verontwaardigd na. Haar hoofd gloeide van woede boven haar mooi gekleurde das. Haar ogen spuwden vuur onder een prachtige haardos van wilde blonde haren. Bij het uitspreken van het woord 'man' ontblootte zij voor een kort moment haar lippen en liet een glanzende slagorde van prachtige tanden zien. Onze zachtmoedige dominee gaf deze jonge vrouw uiteraard meteen gelijk meteen nauwelijks hoorbaar 'sorry', terwijl het beeld van de diep omhooggetrokken lippen met die gave reeks tanden in hem naijlde. 'Goh, deze lippen kussen. Overstelpende genade en verraad dat op de loer lag.' Met een jeugdig elan gaf hij zijn alu-paard de sporen. Zijn aandacht was nu wel op de straat. Gauw dook de glazen façade van het gebouw op dat een van 's lands beste architecten had ontworpen. Met een zwierige zwaai haalde hij zijn rechter voet over het zadel, sprong met de linker van de nog rijdende fiets af en liet het in één beweging in de fietshouder glijden. De glazen toegangspoort ging voor hem open. 'Als verticale lippen,' dacht hij, ietwat gefixeerd en geforceerd zijn gemijmer weer ophalend. Al doorlopende sprak hij zich zelf toe: 'Hou' nou 'es op met die onzin. Concentreer je op je bezoek aan de oude dame.' Hij vergat ondertussen niet drie bewoners te groeten die altijd op dezelfde plaats zwijgend achter de twee toegangspoorten zaten die met glazen wanden met elkaar waren verbonden. Wat ze elkaar te zeggen hebben gehad, als ze elkaar iets te zeggen hebben gehad, hebben ze dat in een zee van tijd al gedaan. Op het lage tafeltje waaromheen verschillende stoelen – waarschijnlijk uit verschillende nalatenschappen – waren gegroepeerd, stond een metalen kooi, waarin een siervink zat. Zijn verenkleed was van een diep groen met een grijze schemer erin. Zijn rode snavel knalde in een krachtige driehoek uit zijn vinkenkop.
Hij nam nooit de lift. Ook in ziekenhuizen deed hij dat niet ook al was dat soms acht of negen etages omhoog klauteren. Hij mocht dan niet meer de jongste zijn, maar hij was nog altijd gezond en dat wilde, ja moest hij voelen ook juist op die plekken, waar de confrontatie met gebroken, kapotte, in koorts zwemmende, zwetende, uitgeteerde, stervende lijven de grens van het ondragelijke niet zelden bereikte. Het nemen van de trap was het ritueel van zijn op dat moment niet aangetaste gezondheid. Het eerste kopje koffie na een uitvaart nam hij ook altijd met een intensiteit die typisch was voor het ritueel van een overlevende.
Hij trad bij de oude vrouw binnen, nadat hij pro forma had aangeklopt, wetende dat ze dat niet meer kon horen. 'Dag Mevrouw Denée,' riep hij met luider stem. Zij zat in haar stoel aan het raam voor zich uit te staren. Op het tafeltje naast haar stond een porseleinen schaaltje met snoepjes en een vergrootglas. Ook lag daar een verkreukeld wit zakdoek. Zij bleef maar voor zich uitkijken. De eerwaarde brulde nu zijn groet voor de tweede keer en met succes. Mevrouw draaide haar hoofd in de richting van dit vage geluid. Zij legde alle kracht die ze nog had in haar ogen, wachtte, totdat de menselijke gestalte dichterbij was gekomen. Over haar gezicht vloeide een vlaag van een glimlach. 'Ha, dominee, wat leuk, dat u even langs komt. Kom verder, gaat u zitten.' De geestelijke ging tegenover haar zitten in een wat ongemakkelijke stoel. Hij ging zo goed het ging zitten op het voorste gedeelte van die stoel, zodat hij met een zachte buiging zijn aandacht vol op zijn tegenover kon richten.
'U ziet er moe en nogal neerslachtig uit.' begon hij heel direct. Hij kende haar en wist, dat zij dat niet alleen kon hebben, maar op prijs stelde.
'Ja, ik voel me beroerd. Moet je 'es zien.' Zij schoof haar donkerblauwe rok, waar boven haar linker dij een vlek van wat etensrestjes kleefde, iets omhoog. 'Mijn knie wil maar niet genezen. De operatie heeft wat, maar niet veel uitgehaald. Maar wat wil je, met een lijf van 97 jaar. Het doet ontzettend pijn. Ik kan nauwelijks meer opstaan en naar de wc gaan. Van mijn loopjes in de gang is al enige tijd geen sprake meer. Ik kom hier niet meer uit.' Ze liet zich wat achterover in de stoel vallen en zweeg. Het spreken was dus ook al vermoeiend. 'Tja,' zei de dominee op een rustig constaterende toon, 'dat ziet er niet goed uit.' Zij schudde zacht met haar hoofd. Haar ogen vulden zich met vocht. Ze pakte het zakdoek van het tafeltje naast haar en wreef ermee in haar ogen. Ze zwegen een poosje. 'Je heb er geen zin meer in,' begon de pastor weer. Zij veerde weer wat op, duwde haar lichaam met een zucht iets meer naar voren en zei met een aan duidelijkheid niets te wensen overlatende stem: 'Wat wil je, ik kan niet meer lopen. Ik kom nergens meer. Mijn dochter uit het noorden des lands bezoekt me een keer de week. Meer kan ze niet en meer wil ik ook niet. We bellen iedere dag. Verder zie en hoor ik niemand. En dan zie ik nauwelijks meer iets en het gehoor is zoals u weet heel erg slecht. Het eten smaakt me ook niet meer. Wat moet ik hier nog? Kunt u mij dat zeggen? Het enige wat ik nog kan, is slapen. Als ik naar bed ga, slaap ik meteen, uren achter elkaar. Slapen, het liefst zonder weer wakker te worden.'
'U zou er niets op tegen hebben, wanneer de lieve God zou zeggen: 'Zo, lieverd, nu is het genoeg geweest, kom nu maar gauw bij Mij.'
Haar ogen lichtten op en ze zei: 'Laat Hem dat maar a.u.b. graag gauw zeggen. – Wilt u niet een snoepje? U kunt er volgens mij nog tegen.' Ze reikte hem het porseleinen doosje aan met kersenbonbons erin, gewikkeld in fel rood papier. Hij nam er een, liet het chocolade omhulsel met kleine genietende bewegingen in zijn mond smelten en het zoete, gespiritiseerde vocht langzaam over zijn tong heen naar binnen lopen. Toen hij klaar was, vroeg hij, of het goed was om aan God voor te leggen, waar zij om vroeg. 'Ja, dominee, doet u dat. Heel graag.'
Dominee boog zijn hoofd voor deze sterke vrouw die haar gevoelens niet onder stoelen of banken stak, voor de God die hij in deze ontmoeting als levenversterkende macht vermoedde, voor het geleefde leven van deze vrouw en haar wens om te sterven. Hij concentreerde zich zo diep hij kon om op de laag van zijn intuïtie te geraken. Daar vermoedde hij de bron van woorden die in die ontmoeting met deze vrouw naar boven wilden wellen om uitgesproken te worden. Hij gaf zich over aan die bron in het vertrouwen dat hem de woorden te binnen zouden vloeien die het contact legden tussen het verlangen van de vrouw en diegene waarvan hij en zij geloofde dat Hij dit verlangen kende en er raad mee wist.
'Lieve God. In Jezus hebt u meegemaakt, wat eenzaamheid betekent, verdriet en dodelijke vermoeidheid. Met hem bent u de weg erdoorheen gegaan. Ga nu ook met deze vrouw die aan het eind van haar leven is gekomen, mee naar de overkant. Herken haar in haar verlangen om bij u te zijn als uw kind. Laat haar niet meer al te lang wachten. Schenk haar het geloof en het vertrouwen dat nodig is, om zich zelf in U los te kunnen laten. Doe haar in dit vertrouwen volharden in de dagen en nachten die nog komen met niet aflatende pijn, moeite en verdriet. Dat alle contacten met gevoelige mensen, haar dochter en anderen momenten zijn van licht en verlichting. Haast u, o God, wees tot haar verlossing gereed. In de Naam van Christus van wiens liefde ons niemand en niets kan scheiden. Amen.'
In de tussenruimte van de bidders was een serene rust ontstaan. 'Amen' zei de oude vrouw. Tranen rolden over haar gezicht. In plaats van het zakdoek greep ze de handen van de man die tegenover haar zat. Hij beantwoordde haar greep en zei. 'Het klinkt misschien wel gek, maar ik hoop u na mijn vakantie niet meer zien. Het ga je in alle opzichten goed en ik hoop dat aan je verlangen tegemoet wordt gekomen.' Hij stond half op, ging met gebogen knieën een stap naar haar toe en nam haar stevig in zijn armen. Zij legde haar hoofd met het volle gewicht op zijn schouders. Zij bleven een moment roerloos in een omarming, waaruit niemand ooit meer weg zou vallen. Vervolgens maakte hij een arm los en hield haar met de ander vast. Met duim, wijs- en middelvinger aan elkaar zegende hij haar door haar voorhoofd aan te raken. Hij sprak daarbij de woorden: 'De Levende God zegene je uitgang en ingang, nu en in eeuwigheid. Hij geve je rust en vrede voor altijd. Amen.'
Hij gaf haar – wat hij nog nooit had gedaan – een kus op beide wangen ten afscheid. Zij keken elkaar nog een moment die niet te lang en ook niet te kort was in de ogen. De dominee zei: 'Het ga je goed,' zwaaide nog een keer, stapte naar de deur, zwaaide nog een keer en ging dan met vaste tred de gang op naar de glazen schuifdeur met de zwijgende oudjes en de gekooide vogel ernaast. Hij groette hen met het opsteken van zijn hand en vertrok.
Na de vakantie liep hij meteen naar de stapel van enveloppen en kranten op zoek naar spannende post in een berg van informatie- en bedelbrieven, jaar- en andere verslagen, uitnodigingen voor vergaderingen met de daarbij horende stapels bijlagen, reclame, tijdschriften en wat dies meer zij. Hij vroeg zich al af voordat hij aan het karweitje begon of er een kennismaking van overlijden bijzat, want hij dacht, dat er wellicht nog iets anders onder de leden zat bij Mevrouw Denée dan ouderdomsdepressie. Hij hoefde niet lang te graven. Daar lag de grijs omrande envelop. Hij glimlachte, liep naar zijn studeerkamer, pakte de telefoon en draaide het nummer van de dochter. Zij deelde hem mee, dat haar moeder haar van het bezoek had verteld. Dominee had haar voorhoofd gekust en daar was zij zeer van onder de indruk. Met bevende lippen en trillende onderkaak had ze het aan haar dochter verteld. Dit was een zegen die nooit meer van haar af zou gaan. En ze was nu echt bereid om te gaan en liever vandaag dan morgen. Kort na deze ontmoeting met haar dochter, het delen van haar ervaring met haar, hield zij op met eten. Sterke vrouw, die ze was, zette door en na ongeveer veertien dagen raakte ze in coma en verstierf. De dochter voegde er nog aan toe, dat zij hiermee absoluut vrede had, dankte de dominee voor zijn zorg en aandacht en beëindigde het gesprek.
Heeft zij bewust besloten om niet meer te eten? Was het een soort samenloop van krachten resp. het ontbreken van krachten? Het lichaam kon niet meer en de geest wilde niet meer? Hoe dan ook, een daad van vrijheid en overgave, waarvoor de eerwaarde grote respect voelde. Was dat gebed en die zegen die zich bij haar tot een kus had verdicht de katalysatoren voor haar besluit om alle voeding te weigeren die haar nog in leven hield? Hij kon dit ophouden met leven opvatten als genade. Een voldaan gevoel van een behaalde overwinning verruimde zijn gemoed. Hij had er vast aan bijgedragen door de vrouw haar verlangen te hebben laten uitspreken, door het biddend en zegenend te hebben bevestigd voor de ultieme levensmacht die ook ons sterven in zich bergt. In een tijd waar zijn beroep in de sociale waardenschaal is gedaald, gaf hem dat ook het gevoel met een heel bijzondere taak en met heel bijzondere mogelijkheden tussen mensen werkzaam te kunnen zijn. Nog altijd wordt het vermanende vingertje gezien en niet de bezielde aandacht die uitgaat naar de ander en haar levensverhaal tot aan de grens van de dood. Een aandacht die kan uitmonden in een ontknopende kus die in de verbeelding van de gekuste verlossend kan werken.
Het was al weer weken later. Hij dacht met geen spoor meer aan deze geschiedenis. Bij het opstaan na een niet al te rustige nacht herinnerde hij zich een droom. Hij zag Mevrouw Denée door een zachtblauwe boog schrijden. Uit die boog kwamen haar twee armen tegemoet die haar ontvangend omhelsden. Een lichtende figuur tekenende zich uit het schijnsel af. Zij kuste de vrouw, die nu niet meer oud en gebrekkig was. Zij was ook fysiek niet meer herkenbaar als Mevrouw Denée. Toch was zij het en niemand anders. De dromer twijfelde daar geen moment aan. Het zal wel een kus geweest zijn, waarin zij zich helemaal in kwijt kon, maar dan ook helemaal.
Wageningen, 2 november (allerzielen) 2002