Verlichtingsextremisme of het recht om te kwetsen

Het extremisme wordt doorgaans in de religieuze hoek gezocht. Althans vanuit de media en door politici die worden aangedreven door fanatiek beleden Verlichtingsidealen. Nu is die beschuldiging vaak wel terecht, maar het kan geen kwaad om de schijnwerpers eens 180gr. te zwenken en kijken naar het actuele hete hangijzer van de vrijheid van meningsuiting.
Ayaan Hirsi Ali kwam jl vrijdag bij Nova-politiek tot de uitspraak dat het recht op vrije meningsuiting zoals dat in onze grondwet is vastgelegd, het recht impliceert om te kwetsen.
Ze probeert dat ook in de praktijk te brengen met een opeenvolging van de zog. “Submissions”, die ze ooit begon in samenwerking met ons nationale scheldkanon Theo v. Gogh. We hebben er trouwens wel meer van die soort, die aanvankelijk onder het aureool van humor, geleidelijk vervalt in banale ether- en papiervervuiling.

Dat recht om te kwetsen wordt ook door anderen wel verdedigd, zij het soms in andere termen, nl door de absoluutheid van het recht op vrije meninguiting te poneren. En bovendien door daar vaak een emancipatoire lijdensgeschiedenis aan vooraf te laten gaan. Dat recht is dan bevochten op religieuze knechting, “gelukkig is godslastering een dood artikel in de wet geworden”, waarbij dan de fascistische en communistische vrijheidsontnemingen ook worden erkend maar in het huidige debat slechts in een wat ondersteunende zin dienst mogen doen. Dat “kwetsen” speelt immers met name een rol in relatie tot religieuze gevoelens.
In andere termen beweerde Pim Fortuin overigens hetzelfde toen hij triomfantelijk uitriep te zullen gaan zeggen wat hij dacht. Zijn discipelen herhalen deze kreet ongeveer even vaak als de moslims hun korte belijdenis: “Allah is God en Mohammed is zijn profeet”. Het heeft daarmee ook bijna dezelfde betekenis gekregen. Zeker als bij het citaat steeds ook de oorspronkelijke spreker met “eerbied en ontzag” wordt genoemd.
Maar zeggen wat je denkt erkent geen enkele breidel en maakt de ander tot slachtoffer van je opgefokte eigendunk.
De wat indirecte discussie tussen v. Aartsen en Wiegel is in dit opzicht ook verhelderend.
Voor de eerste is de vrijheid van meningsuiting de heilige koe waarover niet kan worden “gemarchandeerd”. Nu zal niemand het in de verkoop willen doen, maar de uitdrukking suggereert onaantastbaarheid, heiligheid. Voor Wiegel wordt—klassiek liberaal—de vrijheid van de één afgegrensd door de vrijheid van de ander. Hetgeen inhoudt dat je verantwoordelijk moet omgaan met je eigen vrijheden. Daarop heeft eerder ook J.A.A.v. Doorn in een column in Trouw over “vrij spreken of verantwoord handelen” de nadruk gelegd.

Nu kan onmiddellijk worden toegegeven dat “kwetsen” of beledigen een moeilijk begrip is. De één is gauwer gekwetst dan de ander. Mensen die niet in staat zijn zichzelf enigszins te relativeren, hebben een kort lontje zoals we deze dagen veelvuldig horen. En wat in de ene cultuur als humor wordt beleefd is in een andere heiligschennis. Het artikel van Monic Slingerland in Trouw van jl zaterdag onder de titel “Spotprentenrel; humor verschilt”, is in dit opzicht erg leerzaam.. Hoe dan ook erg subjectief allemaal en dus moeilijk te hanteren.

De andere kant is echter of er sprake is van een opzet om te kwetsen, ongeacht of en de mate waarin dit inderdaad als beschadigend wordt gevoeld. Als het recht om te kwetsen wordt geponeerd dan gaat het over opzettelijk gedrag. Over de opzet om schade te berokkenen. Ayaan verdedigde het recht om te beledigen zei ze in Berlijn.
Daarbij neemt de spreekster, columnist of tekenaar zichzelf en zijn of haar geestverwanten heel erg serieus maar veracht de ander. “De Islam is een achterlijke godsdienst”. En eigenlijk niet alleen de Islam, maar elke godsdienst. Zeker die varianten die blijk geven niet voldoende onder de indruk te zijn van de extreem gekoesterde Verlichtingsidealen van Vrijheid en Redelijkheid.
In dit verband kan de voorzichtige en praktische apostel Paulus ook nog worden geraadpleegd.
In de 1e Korinthebrief schrijft hij in hoofdstuk 10 vanaf vers 23 verhelderende dingen. De pericoop heeft daar in de NBV het opschrift meegekregen: “Het juiste gebruik van de vrijheid”.
Het gaat daar over de vrijheid van christenen om het vlees van dieren te eten die waren geofferd aan heidense goden. Na een duidelijke start met: “U zegt: ‘Alles is toegestaan’. Zeker, maar niet alles is goed. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend”, schrijft hij verderop o.a. ….Houd rekening met het geweten. Ik bedoel nu niet uw eigen geweten, maar dat van die ander….”

Karel Krolis