Verandering van blikrichting…..

Onlangs verscheen de definitieve versie van de synodale visienota “Leren leven van de verwondering”, waarin de synode haar visie verwoordt op de identiteit, de roeping en de toekomst van de Protestantse Kerk in Nederland.
De toonzetting van dit stuk is belangrijk. Ze roept op tot verandering van blikrichting, weg van het verlammende gevoel dat de kerk een aflopende zaak zou zijn. Onze tijd, zo wordt gesteld, biedt kansen en mogelijkheden, met nieuwe middelen. Als kerk kunnen we ook in deze tijd zichtbaar en relevant aanwezig zijn in de samenleving.
Daarbij wordt de plaatselijke gemeente het kloppend hart van de kerk genoemd, wordt gesproken van veelkleurigheid tegen de achtergrond van het identiteitsartikel 1 van de kerkorde, is er oog voor de voortdurende en snelle maatschappelijke veranderingen die gevoelens van onzekerheid oproepen, wordt een verbinding gelegd tussen de crisis in de kerk met de verlegenheid waarin onze samenleving verkeert, maar wordt dit alles ook gezien als heilzaam indien de kerk beseft dat ze als minderheid het moet hebben van de woorden van God.
Zo wil de Protestantse Kerk voor mensen een krachtige geloofsgemeenschap zijn waar mensen de zin van hun leven kunnen ontdekken; een gemeenschap die staat voor de levensveranderende boodschap van het evangelie en hiervan getuigt; een gemeenschap waarin Gods aanwezigheid wordt gevierd in prediking, liederen, gebeden en in de tekenen van doop en avondmaal; een beweging ook van hoop en verwachting waarin mensen elkaar dichtbij en veraf inspireren over de grenzen van armoede, onrecht en hopeloosheid heen.

Tenslotte worden een twaalftal beleidsuitgangspunten aangegeven. Ik kies er enkele uit:
2. Geloofsverdieping door middel van het geloofsgesprek en de toerusting van gemeenteleden.
3. Nadruk op het begeleiden van de gemeente bij het volgen van haar missionaire roeping.
5. Jeugd en jongeren alle ruimte geven om te zoeken naar nieuwe vormen van kerk-zijn en te groeien in geloof
8. In de eigen gemeente en met andere gemeenten in gesprek gaan over onze roeping om gemeente van Christus te zijn.
12. Nationaal en internationaal met visie en inzet deelnemen aan het gesprek over de vragen van (samen)leven, duurzaamheid, vrede en gerechtigheid.

En “alsof de duvel er mee speelde”, zo verscheen in oktober bij uitgeverij Meinema een boekje (249 p.) van Henk de Roest, hoogleraar praktische theologie in Leiden, onder de titel “En de wind steekt op”.
Op de achterflap van het boek wordt geconstateerd dat er een nieuwe wind waait in volle breedte van de kerken…. . En de bedoeling van dit boek is om de spirituele binnenkant van dit missionaire enthousiasme nader te onderzoeken. Daarbij blijft, vind ik, de schrijver met beide benen op de harde grond van de soms zorgelijke werkelijkheid al weet hij wel vonken van hoop over te brengen. En een praktische geestdrift.
Bas Plaisier, de algemeen secretaris van de PKN, schrijft: “Dit is een boek waarop we gewacht hebben. Bezieling en vernieuwing worden in dit boek concreet. Je voelt de wind waaien. Met dit boek vol hoop zou elke gemeente aan de gang moeten gaan” ( cursief van mij, K)
Maarten Den Dulk, emeritus hoogleraar praktische theologie, reageert op dit boek o.a. met de woorden: “Dit sterk en soepel geschreven boek laat zien wat er gebeurt als een gemeente zich niet laat verlammen, maar iets doet om de Geest te krijgen. Henk de Roest springt op het toneel en geeft geestdriftig een paar aanwijzingen. En dan gebeurt het: de gemeente danst.” (cursief al weer van mij, K)

Na deze aanbevelingen ontkom ik er niet aan om er nog iets meer over te zeggen.
Henk de Roest begint met een soort samenvatting van de talrijke samenlevingsanalyses die er inmiddels beschikbaar zijn. Hij haalt daar voor zijn oogmerk één hoofdlijn naar voren, dat hij in navolging van anderen de “crisis van betrokkenheid” noemt: het afnemen van lange termijn bindingen aan organisaties en verenigingen. Dat geldt ook voor de kerken. Incidentele deelname aan kortstondige activiteiten lijkt de belangrijkste vorm van participatie te zijn geworden.
Om enige orde te kunnen scheppen construeert hij drie kerkmodellen. De eerste is een model van totale betrokkenheid zoals we kunnen zien bij veel evangelicale geloofsgemeenschappen.
De tweede is de kerk als herberg, een “open” kerktype, waarbij sprake is van een graduele betrokkenheid en het laatste model is de kerk als service instituut, een geestelijke tempel waar geen beroep meer wordt gedaan op bezoekers tot deelname. Aan het eind van het boek komt hij op deze indeling terug en bedenkt hij een vierde kerktype.
Daarna wendt hij zich naar de ontstaansgeschiedenis van de christelijke geloofsgemeenschap.
De joodse wortels zijn evident maar hij analyseert vooral de dynamiek die zo kenmerkend was voor de eerste eeuw van haar bestaan. Hij tekent het missionaire élan van de jonge beweging en kijkt hoe die zich uitbreidde. Paulus noemt hij in dat verband een “netwerker”

Inmiddels heb ik drie woorden vet gedrukt. Zij geven enkele leidende gedachten weer in het boek. Dat vervolgens een concrete situatie onder de loep neemt en wel in Engeland. Daar heeft een onderzoek naar missionaire en diaconale geloofsgemeenschappen geleid tot een nieuw netwerk van gemeenten en parochies, met als motto: bruggen bouwen van hoop. Hoe is dit netwerk van de grond gekomen? En andere vragen krijgen de aandacht.

Na dit uitstapje, maar met een nieuwe voorraad ideeën, wordt weer teruggeschakeld naar de gemeenten in zorgen. Ze bevinden zich in een soort patstelling. Er is zowel een verlegenheid met betrekking tot hun missionaire roeping en er is tegelijk een onmiskenbaar élan. Beide soms bij dezelfde mensen. Ze willen er voor gáán en ze voelen zich geremd.
Henk de Roest pleit hier voor een herwaardering van het woord “getuigen” als een beweging van “binnen “naar “buiten”, dat overigens niet kan zonder een omgekeerde beweging van “buiten” naar “binnen”. Bij die eerste beweging onderscheidt hij drie “manieren van doen”.
Kort aangeduid een inhoudelijke kerugmatische manier, een solidaire diaconale manier en tenslotte een rituele, liturgische manier. Hij werkt ze alle drie uit en bindt ze ook aan een aantal criteria. Ook al drie in getal: bezieling, waarachtigheid, vrijheid van de ander. Geen schijn of show, geen manipulatie of dwang.

De vraag wordt nijpend: waar halen we inspiratie vandaan bv. in een gemeente op de terugtocht? Moet je het niet over je laten komen? Je kunt zoiets toch niet organiseren? Hiervoor gaat Henk de Roest te rade bij toneelgezelschappen en bekijkt hij de wisselwerkingen van regisseur en spelers bij en na het bestuderen van hun teksten. Hoe ze komen tot een gezamenlijke interpretatie, hoe ze tijdens dat proces tot een bezield team worden, dat in staat is het publiek iets over te brengen, ja op hun beurt te bezielen en iets teweeg te brengen.

Daarmee en met alle in het voorgaande opgebouwde instrumenten en gedachten bekijkt hij opnieuw de zorgelijke gemeente. Hoe kan opnieuw moed worden gevat? Daarvoor maakt hij dan een excursie naar de tocht van de gevangen Paulus naar Rome en de schipbreuk die hij en zijn begeleiders meemaken en hen op het eiland Malta doet belanden. Hoe treedt Paulus in die benarde omstandigheden op als het schip dreigt ten onder te gaan en de hoop op een “doorstart” moet worden vastgehouden.

In het laatste hoofdstuk onthult hij zijn vierde kerkmodel. Als een soort vrucht van voorgaande analyses, ervaringen en overwegingen. Het is te zien als een soort ellips met twee brandpunten. In het ene brandpunt positioneert hij de “toegewijden”. Daar is een open alerte gerichtheid op God, op Jezus Christus, op “het verhaal van de Levende”. Er is een bereidheid om van Hem te getuigen.
In het andere brandpunt vinden we de “toehoorders” en is er een dienstverlenende oriëntatie op hen, die zich “liefhebbers” weten van de christelijke religie en die positie zo willen houden. Overigens was dit onderscheid, tussen “lidmaten” en “liefhebbers” al bekend in de 16e eeuw.

Zou het niet iets zijn voor onze nieuwe gemeente in wording om ons te laten inspireren zowel door de visienota van de synode als deze praktische en bezielende handleiding van Henk de Roest? Om de wind op te vangen?

Karel Krolis