| Startpagina > | Laatst gewijzigd: woensdag 4 juli 2007 |
De veelvuldigheid van het argument van de veelkleurigheid laat mij het nare gevoel bekruipen dat het verschijnsel leidt tot machteloosheid en het argument zelf dient ter rechtvaardiging daar van. Onmachtig lijken we om duidelijk te maken waar we met elkaar voor staan en waar we voor gaan. Hoe we gezien willen zijn en wat anderen van ons mogen verwachten. Waar we op hopen en waarnaar we streven.
De variatie in godsvoorstellingen, geloofsbelevingen, inspiratiebronnen, relevant geachte ervaringen plus de heksenketel die onze cultuur is, vormen natuurlijk ook niet een rustige en solide voedingsbodem voor heldere, eenduidige oriëntaties voor leven en geloven. Terwijl je overal om je heen hoort dat nou juist daaraan zoveel behoefte is in onze tijd. Grote pech.
En het kan natuurlijk best zo uitpakken dat elke duidelijkheid, elke keuze, elke visie, reacties oproept, van links of van rechts. En we willen niemand kwijtraken. Althans niet door een al te klassiek woord, een te strakke lijn. Wij zijn toch de opgewekte club van alle mogelijkheden? Helemaal bij de tijd en pluriform?
Maar hoe staat het er ook al weer? “Zo dan, omdat gij lauw zijt en noch heet, noch koud, zal ik u uit mijn mond spuwen”. Die mensen in Laodicéa waren een stelletje slapjanussen geworden. Hoe vaak hebben we daarover vroeger niet horen preken en hoe vaak klonk ons die tekst bovendien nog in de oren? Lang, lang geleden.
De enige manier om in de veelkleurigheid de machteloosheid en de lauwheid te boven te komen en ons vluchtgedrag in te dammen, lijkt me gelegen te zijn in het “luisteren naar Schrift en traditie” met de bedoeling onze identiteit te verwoorden. Allereerst in de kerkenraad. Met de hoogste prioriteit. En dan niet alleen om een mooi “verhaal” te maken, maar om dat door te denken en te implementeren. Waarschijnlijk zal er dan wel een intensieve heen en weer gaande beweging ontstaan tussen de harde praktijk en de studeerkamer, tussen de kakofonie en het stiltecentrum.
Vanuit de kerkenraad kunnen lijnen worden uitgeworpen in alle richtingen.
Nogmaals het moet m.i. allereerst gaan en met name om het luisteren naar de bijbel en wat van daaruit is gezegd. Daarin en daarmee wordt ook geluisterd naar elkaar. Er wordt naar elkaar geluisterd met het oog op het goed horen van de Schrift. En de traditie. Daar gaat het in dit geval om.
Dat is geen luxe of bijkomende zaak. Met actiepunt 3 had al in het beleidsplan een duidelijke start moeten zijn gemaakt. met een continue voortzetting. Als wij niet in staat zijn zonder dat het ons “groen en geel”voor de ogen wordt, tot een veelkleurig schilderij, dat iets zegt, oproept, de aandacht vasthoudt, maar dat ook nooit af is, kunnen we de boel beter opdoeken.
Karel Krolis
Wageningen, 11 maart 2003