Vanuit ons huis in de Stationsstraat in Assen zagen we ze: lange rijen dienstplichtige militairen, opgesteld aan de overkant in rotten van vier of vijf, op weg naar het station, op weg naar Nederlandsch-Indië/Indonesië, op weg naar wat geen koloniale oorlog mocht heten en daarom eufemistisch politionele actie werd genoemd. Het was in 1947 en eind 1948 nog een keer en ik was 8, 9 jaar oud. Na Duitse en Canadese soldaten kreeg ik toen bewapende Nederlandse soldaten te zien en dat was spannend en avontuurlijk. Waarom is me bijgebleven wat ik mijn vader toen hoorde zeggen? Geen idee; in elk geval begreep ik er niets van. Zijn woorden waren ook niet tot mij gericht, ik ving ze op en vond het maar raar, want hoe kan dat nou, als je net bevrijd bent? Vergeten ben ik zijn woorden echter niet: “Ik schaam me voor mijn land”.
Ruim vijftig jaar later denk ik aan die gebeurtenis terug, omdat voor het eerst me dat gevoel van schaamte over mijn eigen land bekruipt en het niet meer weg wil. Er zijn in die vijftig jaren heel wat momenten geweest, dat ik het hartgrondig oneens was met allerlei politieke beslissingen - niet alleen van regeringen waarvoor ik weinig enthousiasme kon opbrengen. Maar schaamte? Nee! Dat is iets nieuws en het is schokkend.
Waar ik het over heb? Over de wijze waarop in ons land mensen als vee van hot naar haar worden gesleept en als oud vuil worden gedumpt. Dezer dagen was en is er terecht veel aandacht voor de 18-jarige Kosovaarse Taïda Pasic, die hier niet nog vier maanden mag blijven om haar VWO-examen te halen en alvast naar een detentiecentrum werd gebracht – ook zo’n fris eufemistisch woord voor gevangenis. Volgens de directrice van de Penitentiaire Inrichting Nederland kan zij die maanden hier niet blijven om redenen van staatsbelang en ook niet in haar eigen belang. Wie het begrijpt mag het zeggen. Al is die aandacht voor Taïda terecht, intussen gebeuren er andere dingen, die je voorstellingsvermogen tarten. Voornoemde Directrice Verdonk heeft één en andermaal verklaard, dat er geen vluchtelingen op straat worden gezet. O nee? Enkele dagen geleden werden uit een AZC in dit traditioneel gastvrije land de volgende mensen de straat opgeschopt: een 85-jarige man, zijn aan kanker lijdende dochter, zijn kleindochter en haar man en 3-jarig kind. Ik schaam mij voor mijn land, waarin zoiets gebeurt. Zelfs als die mensen volstrekt onhandelbare rotzakken zouden zijn, tot welk beschavingsniveau moet een overheid gezakt zijn, om ze zo te mishandelen? Beschaving was er slechts bij de particulieren, die zich over deze mensen ontfermd hebben en hun een voorlopig veilig onderkomen hebben verschaft.
Vele malen is de minister voor vreemdelingenzaken door de Nederlandse rechter in het ongelijk gesteld, vele malen ook is Nederland door internationale organen gekapitteld over het schenden van verdragen, o.a. het Verdrag voor de Rechten van het Kind. De organisatie van kinderartsen in Nederland stelt, dat het beleid van de minister onaanvaardbare schade aan kinderen toebrengt. Tientallen gemeentebesturen van uiteenlopende politieke snit maakten op bestuurlijke en humanitaire gronden bezwaar tegen maatregelen van de minister. Dan schaam ik mij voor politieke partijen, die het (wan)beleid van de minister steunen, alleen om de coalitie niet in gevaar te brengen – vaak tot afgrijzen van leden en kiezers van die partijen.
Ik schaam me voor landgenoten als voor hen de Nederlandse identiteit niet meer blijkt te zijn dan een onderbuik-mengsel van egoïsme en vreemdelingenhaat. En ik schaam me voor mijn kerk, de Protestantse Kerk in Nederland. Protesteren betekent ‘getuigen voor’, maar dat heb ik die kerk niet horen doen. Zeker, de diakonale organen spannen zich in en doen voortreffelijk werk, maar waarom laat de kerk dat aan die organen over en heeft ze nog nooit zelf als kerk geprotesteerd tegen het onrecht dat dagelijks in dit land geschiedt, onrecht waardoor duizenden machtelozen een menswaardig bestaan wordt ontnomen? Is een Herderlijk Schrijven of een Synodale Verklaring soms niet op zijn plaats omdat het niet over kerkleden gaat? Of is het omdat de kerk toch vooral de lieve vrede moet bewaren en na alle jarenlange trammelant rond de kerkenfusie rust wil, geen gedoe, niet weer dat gezanik van veronruste leden, nu omdat stelling zou worden genomen tegen een regering waarin toch ‘onze eigen mensen’ een belangrijke rol spelen? Ik vrees, dat dat laatste inderdaad het geval is. Dan kan de P van de PKN maar beter gelezen worden als ‘prevelende’.
Dezer dagen wordt de 100e geboortedag van Dietrich Bonhoeffer herdacht. Van hem is de uitspraak: “Wie niet ten gunste van de Joden schreeuwt, mag niet gregoriaans zingen”. Dat zei hij niet pas toen de uitroeïng van de Joden een feit werd, maar vele jaren eerder al, toen de ontrechting nog maar net begonnen was. Nee, wat hier gebeurt is niet vergelijkbaar met wat in Nazi-Duitsland plaats vond. Maar Bonhoeffer herdenken betekent minstens: ontdekken, dat we tijdig en niet te laat onze stem moeten verheffen, als staatsbeleid mensenverachting inhoudt. Ik schaam me voor mezelf, dat ik dat niet eerder deed.
Johannes Diepersloot